In de media

Wie bewaakt de woonplicht van de burgemeester?

Een burgemeester moet in zijn gemeente wonen. Maar wat gebeurt er als daar discussie over ontstaat en niemand kan handhaven? De situatie rond de burgemeester van Eersel laat zien dat de vraag verder reikt dan één woonadres.

Redactie - 20 juli 2026
Het ambtsketen van Losser

Een burgemeester moet wonen in de gemeente waarvan hij of zij burgemeester is. Toch is juist die wettelijke woonplicht onderwerp van discussie geworden nadat het Eindhovens Dagblad berichtte dat burgemeester Wim Wouters van Eersel een woning heeft gebouwd in de buurgemeente Bergeijk en daar een deel van de tijd verblijft. Volgens de burgemeester voldoet hij aan de wet doordat hij in Eersel woonruimte huurt en daar ingeschreven blijft. Deskundigen bestrijden dat.

Woonplicht is meer dan een administratieve verplichting

De Gemeentewet schrijft voor dat een burgemeester in de eigen gemeente woont. ‘Een burgemeester moet in zijn standplaats wonen, formeel en materieel, de hele week, non-stop,’legt John Bijl aan Brabants Dagblad uit. ‘Je woont in je ge-meente, punt.’

Dat is geen toevallige regel. De gedachte daarachter is dat een burgemeester zichtbaar deel uitmaakt van de gemeenschap waarvoor hij of zij verantwoordelijkheid draagt. Juist omdat een burgemeester dag en nacht aanspreekbaar hoort te zijn, is de woonplaats onderdeel van het ambt.

Over de vraag hoe strikt die verplichting moet worden uitgelegd lopen de meningen uiteen. ‘Het doet er helemaal niet toe of hij goede redenen heeft om dit te willen en of de woning vlak bij ligt of niet”, zegt Marcel Boogers, bijzonder hoogleraar democratie tegen de krant. ‘Regels zijn regels,’ aldus Boogers. Waar deskundigen stellen dat een burgemeester zowel formeel als feitelijk in de eigen gemeente moet wonen, vindt het Nederlands Genootschap van Burgemeesters dat meer maatwerk mogelijk moet zijn zolang een burgemeester het grootste deel van de tijd in de eigen gemeente verblijft. Tegelijkertijd blijkt uit een enquête van het genootschap dat een meerderheid van de burgemeesters het woonplaatsvereiste wil behouden.

De raad gaat hier niet over

Opvallend is de bestuurlijke route die in Eersel is gevolgd. De burgemeester bracht zijn bouwplannen en latere woonsituatie meerdere keren ter sprake in het besloten presidium, het overleg van fractievoorzitters over de raadsagenda. Daarmee ontstond bij sommigen de indruk dat de fractievoorzitters bij de kwestie waren betrokken. Voormalige raadsleden benadrukken juist dat het presidium geen besluiten neemt en dat een burgemeester zelf verantwoordelijk is voor het naleven van de wettelijke regels.

Dat onderstreept een belangrijk staatsrechtelijk punt. Het presidium is geen bestuursorgaan en kan een burgemeester geen toestemming geven om af te wijken van wettelijke verplichtingen. Ook de gemeenteraad heeft daarin geen zelfstandige beoordelingsruimte.

Wie houdt toezicht?

Daarmee komt de aandacht vanzelf bij de commissaris van de Koning terecht. De commissaris was gedurende meerdere jaren op de hoogte van de plannen van de burgemeester. Na de publicaties ontstond kritiek dat niet werd ingegrepen. De provincie reageerde daarop dat de commissaris het woonplaatsvereiste onderschrijft, burgemeesters daarop aanspreekt, maar geen wettelijke bevoegdheid heeft om de woonplicht te handhaven. De Gemeentewet kent daarvoor geen sanctie.

Juist dat maakt deze kwestie interessant. Als een wettelijke norm bestaat zonder duidelijke handhavingsmogelijkheid, verschuift het zwaartepunt naar bestuurlijk gezag en voorbeeldgedrag. Voor burgemeesters, die zelf een centrale rol spelen bij integriteit binnen de gemeente, is dat een kwetsbare positie.

Meer dan een discussie over één burgemeester

De discussie in Eersel gaat daarom uiteindelijk niet alleen over de woonplaats van één burgemeester. Zij raakt aan een principiële vraag over het openbaar bestuur: hoe geef je betekenis aan wettelijke normen wanneer de wet nauwelijks instrumenten biedt om die af te dwingen?

Voor gemeenten is dat een relevante discussie. Niet alleen omdat de woonplicht onderdeel is van het burgemeestersambt, maar ook omdat het vertrouwen in het lokaal bestuur mede wordt bepaald door de vraag of bestuurders dezelfde regels naleven die zij van anderen verwachten.