Weer een gemeentelijk bouwproject dat duurder uitvalt dan gepland: het nieuwe stadhuis van Amersfoort kost 10 miljoen euro extra. ‘Het begint bij een simpel schetsontwerp. Daarna heeft de raad vaak extra wensen. Hoe concreter het plan, hoe meer kosten erbij komen,’ zegt John Bijl, directeur van het Periklesinstituut. Kostenoverschrijdingen lijken eerder regel dan uitzondering bij grote overheidsprojecten, en Amersfoort is daarin geen uitzondering.
Het Amersfoortse stadhuis zou oorspronkelijk 75 miljoen euro kosten, maar door inflatie en stijgende bouwkosten ligt de teller inmiddels op 118 miljoen. Het patroon is bekend: extra eisen, onverwachte prijsstijgingen en de neiging van overheden om kosten te optimistisch in te schatten. ‘De raad had beter moeten worden geïnformeerd over de risico’s. De boel wordt vaak te rooskleurig bekeken, en raadsleden hebben het al druk genoeg,’ stelt Bijl.
Deskundigen zoals Peter Verheij waarschuwen dat verdere kostenstijgingen waarschijnlijk zijn. ‘Bijna altijd moet er later nog extra geld bij.’ Toch is het risico niet uniek voor gemeenten. ‘Ook grote bedrijven moeten geregeld geld bijleggen,’ zegt Bijl. Het verschil? Publieke projecten liggen onder een vergrootglas.
De gemeenteraad moet binnenkort beslissen of het extra bedrag wordt toegekend. Sommige partijen pleiten voor het schrappen van ambities, anderen wijzen op de noodzaak om niet te vertragen. Bijl benadrukt dat transparantie cruciaal is: ‘Als je kiest voor extra kosten, leg dat dan goed uit aan de inwoners. In Almelo werd duidelijk gemaakt waarom een nieuw stadhuis nodig was.’