Veel inwoners realiseren zich niet hoeveel groenbeleid daadwerkelijk lokaal wordt bepaald. Van de boom in de straat tot het park om de hoek: het zijn gemeentelijke keuzes. Toch is het voor raadsleden vaak lastig om dat belang scherp op tafel te krijgen. Bijl wijst daarbij op wat hij de ‘vloek van waarde’ noemt. ‘Je kunt uitleggen waarom iets van waarde is voor jouzelf, maar je moet ook iemand meekrijgen in waarom het voor hén van waarde is.’ Dat maakt groenbeleid politiek kwetsbaar, zeker wanneer andere problemen zich opdringen. ‘Hoe leg je uit dat groen belangrijk is, als iemand vooral bezig is met het vinden van een betaalbare woning?’
Daar komt bij dat groenbeleid in veel gemeenten financieel onder druk staat. Sinds de decentralisaties hebben gemeenten meer taken gekregen, zonder dat daar altijd voldoende middelen tegenover staan. Het geld dat via het gemeentefonds binnenkomt, heeft geen vaste bestemming. Gemeenten moeten zelf prioriteiten stellen, en groen is daarbij vaak de sluitpost. ‘En dan kom je opnieuw uit bij die vloek van waarde’, aldus Bijl. Wat niet direct als urgent wordt gezien, verdwijnt snel naar de achtergrond.
Toch zijn er ook gemeenten die bewust investeren in groen. Soms vanwege hun ligging, soms vanuit expliciet beleid. Steeds vaker spelen daarbij inzichten uit onderzoek een rol, bijvoorbeeld over hittestress, luchtkwaliteit of gezondheid. Groen wordt dan niet alleen gezien als kostenpost, maar als randvoorwaarde voor een leefbare stad.
De spanning tussen korte termijnproblemen en lange termijnwaarde maakt groenbeleid tot een wezenlijk politiek vraagstuk. Juist in verkiezingstijd vraagt dat om scherpe keuzes van gemeenteraden: wat vinden we belangrijk, en hoe maken we dat zichtbaar in onze besluiten? Want groen is geen bijzaak van lokaal bestuur, maar een spiegel van hoe de lokale democratie haar verantwoordelijkheid neemt.
Meer informatie over deze uitzending vind je hier bij BNNVARA.
In vrijwel alle berichtgeving klinkt verbazing over het besluit om alle vergaderingen te schrappen. In verkiezingstijd is het gebruikelijk dat gemeenteraden terughoudender zijn met grote besluiten, maar volledig stoppen met vergaderen is iets anders. ‘Dit is echt buitensporig,’ zegt John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, in gesprek met het AD. ‘Dat je grote dossiers niet over je graf heen wilt regeren, kan ik begrijpen. Maar helemaal niet meer samenkomen is uit den boze.’
Volgens Bijl raakt de raad hiermee aan zijn kernfunctie. ‘De raad heeft niet alleen de taak om besluiten te nemen, maar ook om het college te controleren,’ zegt hij tegen Binnenlands Bestuur. ‘Door niet te vergaderen, geef je het college feitelijk een vrijbrief tot 1 april, wanneer de nieuwe raad wordt geïnstalleerd.’
Voorstanders van het reces stellen dat gevoelige onderwerpen – zoals de bouw van een nieuw gemeentehuis – beter aan de kiezer kunnen worden voorgelegd. Dat argument overtuigt Bijl niet. ‘Daarmee marginaliseer je de verkiezingen tot een referendum,’ zegt hij in het AD. ‘Zo werkt onze representatieve democratie niet. Inwoners kiezen een raad om namens hen afwegingen te maken, niet om lastige besluiten vooruit te schuiven.’
In een interview met de NOS benadrukt Bijl dat het combineren van campagnevoeren en besturen geen tegenstelling hoeft te zijn. ‘Ik kan me voorstellen dat je in verkiezingstijd rekening houdt met agenda’s. In de meeste gemeenten zie je dat de luwte aantreedt in de laatste weken voor de verkiezingen. Maar hier wordt alles opgeschort tot 1 april. Dat slaat nergens op.’
De kritiek richt zich niet alleen op de grote, politiek gevoelige onderwerpen. Door het reces verdwijnen ook kleinere, maar noodzakelijke besluiten van de agenda. Daarmee ontstaat vertraging, juist op momenten waarop nieuwe wettelijke verplichtingen of regionale ontwikkelingen aandacht vragen. ‘Met een beetje pech heb je de eerste grote dossiers pas na het zomerreces op de agenda staan,’ waarschuwt Bijl in Binnenlands Bestuur. ‘Dan ligt de raad maandenlang stil, terwijl het bestuur wél doorgaat.’
In gesprekken met regionale media wijst hij er bovendien op dat het probleem breder is dan besluitvorming alleen. ‘Als je alle vergaderingen opschort, schort je ook je controlerende taak op,’ zegt hij tegen RTV Utrecht. ‘Daarmee zeg je eigenlijk dat je eigen positie belangrijker is dan het dienen van de samenleving.’
De kwestie-De Bilt raakt aan een fundamenteler punt: wat betekent het om raadslid te zijn in verkiezingstijd? Verkiezingen zijn een moment van verantwoording en keuze, maar ze schorten het democratisch mandaat niet op. Juist in aanloop naar de stembus is zichtbaar bestuur van belang.
‘Als de campagne belangrijker wordt dan het bestuur, is er iets niet in orde,’ zegt Bijl in het Reformatorisch Dagblad. Niet vergaderen kan bedoeld zijn als de-escalatie, maar het risico is groot dat het wordt opgevat als terugtrekken uit verantwoordelijkheid. En dat raakt uiteindelijk niet alleen het politieke proces, maar ook het vertrouwen van inwoners in hun lokale democratie.
Raad De Bilt legt werk neer: ‘Burgemeester moet ingrijpen’ (Binnenlands Bestuur, 14 januari 2026)
De Bilt stopt tot verkiezingen met vergaderen: ‘Nog nooit van gehoord’ (NOS, 15 januari 2026)
Dat zegt Bijl in een interview bij Radio 1, waar het ging over de plannen voor een minderheidskabinet met 66 zetels. De NOS deed daar verslag van. Staatsrechtgeleerde Corné Smit (Universiteit Leiden) wees op de Nederlandse scepsis: het land kent nauwelijks ervaring met minderheidskabinetten. De historische voorbeelden roepen vooral beelden van instabiliteit op.
Die scepsis herkent Bijl, maar hij plaatst er een belangrijke kanttekening bij. In gemeenten is het werken met minderheidsbesturen geen uitzondering. ‘Een ouderwetse coalitie betekent dat je kunt rusten op een vanzelfsprekende meerderheid,’ zegt hij tegen NOS. ‘Bij een minderheidsconstructie moet je steeds opnieuw laten zien waarom een voorstel deugt.’
Gemeenten als Gooische Meren, Castricum en Baarn hebben daar al ervaring mee. Dat vraagt om een andere houding van zowel bestuur als oppositie. Bijl: ‘Dan moet iedereen zich wel goed gedragen.’
Juist de rol van de oppositie wordt bij een minderheidskabinet bepalend. Partijen die zich afzijdig houden omdat ze niet bij de formatie betrokken waren, doen hun kiezers tekort. ‘Wie gaat zitten mokken, kan niets betekenen,’ zegt Bijl. ‘Ik zou iedere fractie oproepen om te kijken hoe je hier zelf zo constructief mogelijk aan kunt bijdragen.’
Die oproep raakt aan een bredere vraag: is de nationale politiek in staat om het gemeentelijke pragmatisme over te nemen? Minder automatisme, meer inhoudelijke afweging. Minder machtspolitiek, meer publieke verantwoording.
Luisteraars van het radioprogramma zijn verdeeld. Sommigen vrezen instabiliteit en korte levensduur, anderen zien juist ruimte voor samenwerking buiten vaste blokken. De vergelijking met landen als Denemarken, waar minderheidskabinetten eerder regel dan uitzondering zijn, laat zien dat het ook anders kan.
De kernvraag is daarmee niet of een minderheidskabinet ‘werkt’, maar welk politiek gedrag we ervan verwachten. Als macht het uitgangspunt blijft, ligt mislukking op de loer. Als inhoud en samenwerking centraal staan, kan een minderheidskabinet juist dwingen tot volwassen politiek. Dat is geen garantie op succes, maar wel een uitnodiging om het anders te doen.
Drie korte bespreekstukken en het vragenhalfuurtje zitten erop. ‘Wij hebben allen nog de ingekomen stukken,’ zegt burgemeester Lieke Schuitemaker. Ze haalt even adem. ‘Ik wil u toch even wijzen op deze passage uit het reglement van orde: over de ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard.’ Zo’n waarschuwing komt zelden uit het niets. ‘Als u het echt niet kan laten, kunt u wat meegeven,’ voegt de voorzitter er nog aan toe.
Al bij het eerste ingekomen stuk is het raak. Jan Bijlsma (GBA) heeft zorgen over de voorbereiding op de Wet Versterking regie volkshuisvesting. De aanleiding is Vaststelling lopende uitvoeringsagenda wonen 2025. ‘Wij krijgen niet echt het gevoel dat we klaar zijn voor de Wet Versterking regie volkshuisvesting.’ Vervolgvragen zal hij schriftelijk stellen. Of dit een waarschuwing aan het college is, of vooral een gedachte die hardop moet worden uitgesproken, blijft in het midden.
‘Ik heb een procedurele vraag,’ grinnikt Lammert Westra (CDA) bij de Raadsinformatiebrief Organisatieontwikkeling ABG ‘En waarom niet iets per gemeente?’ Zo procedureel is die vraag niet. Maar gewoon inhoudelijk. ‘We vonden het belangrijk om ook eens naar onze eigen organisatie te kijken,’ legt wethouder Eric Daandels uit. Een gezamenlijke bijeenkomst kan altijd nog.
Rens Michielsen (GBSV) verbaast zich bij hetzelfde stuk over het label ‘intern vertrouwelijk’. Het stuk is immers openbaar. Nog verbaasder is hij over de opmerking dat ABG ‘kan uitgroeien tot een professionele dienstverlener’. ‘Het bestaat al tien jaar. Menig start-up is al na vijf jaar volgroeid.’ Het begint op een mini-interpellatie te lijken, maar je moet de brief niet lezen alsof het ABG nu géén professionele organisatie is, vindt wethouder Daandels.
Bij de brief over de aanpassingen van het kindcentrum Chaam concludeert Hanneke Willemstein (GBSV) dat het vorige ontwerp niet aan de wetgeving moet hebben voldaan. En volgens haar is nu nog niet iedere gebruiker tevreden. In een lang maar vooral voorspelbaar antwoord legt Daandels uit dat alles dik in orde is en dat de gebruikers tevreden zijn. Bij de beleidsbrief Verantwoord beleid Aziatische Hoornaar wil Bart Lauwaars (GBA) nog weten wat de gemeente gaat doen voor bijenhouders. ‘Als u dat wil wel,’ hint wethouder Ton Berben, maar de voorzet om er een motie van te maken lijkt niet door Lauwaars te worden opgepakt.
Ruim een halfuur verder is de kwartaalrapportage Crossroads het laatste ingekomen stuk. ‘Het sociaal domein ligt onder een vergrootglas,’ zegt Willem Kriellaars erbij, op een toon die je doet denken aan de algemene politieke beschouwingen. ‘Ik had moeite om het juiste agendapunt te vinden om het woord te voeren.’
Onbedoeld zegt hij daarmee precies wat hier misgaat. Van gebrek aan betrokkenheid heeft deze raad in ieder geval geen last. Niet een gebrek aan kennis. En al helemaal niet aan vlijt. Elk van deze punten is begrijpelijk en ongetwijfeld relevant en hadden goed tot hun recht gekomen wanneer ze met een raadsinstrument werden ingebracht. Voor vrijwel alles wat hier langs kwam, bestaat een passend middel: schriftelijke vragen, een motie vreemd, een initiatiefvoorstel, een werkbezoek, een hoorzitting.
Dus niet bij de ingekomen stukken. Het agendapunt ‘ingekomen stukken’ is geen raadsinstrument. Het is de bestuurlijke leesmap. Wie daar het debat opstart, ontneemt zichzelf én de rest van de raad én het college de mogelijkheid om het debat goed te voeren. Voorbereid, op inhoud, en met een bestuurlijke opdracht.
Daar is dat reglement van orde voor bedoeld. Het is geen hinderlijke gebruiksaanwijzing; het is de manier waarop de raad zijn gezag organiseert. En als de raad van Alphen-Chaam dat reglement ook eens serieus neemt, zullen ze merken dat ze daardoor ook zichzelf meer serieus zullen nemen.
Deze column verscheen op 12 januari 2026 bij Binnenlands Bestuur.
De Mystery Burger zit elke week op een willekeurige publieke tribune bij een gemeente of provincie. Elke maandag doet hij in Binnenlands Bestuur verslag van de kwaliteit van de besluitvorming en het overleg. Donderdags verschijnt de column ook als nieuwsbrief via Substack — met extra reflecties en tips voor raadsleden, burgemeesters, voorzitters en griffiers.Wil je de column mét tips wekelijks in je inbox? Abonneer je dan hier.
Door het vertrek van Remon van Bree naar een oppositiepartij beschikt de coalitie nog over 18 van de 37 zetels. Formeel is zij daarmee in de minderheid. In de praktijk blijft besluitvorming mogelijk doordat enkele raadsleden structureel afwezig zijn, maar die kwetsbare balans onderstreept hoe afhankelijk het bestuur is geworden van incidentele omstandigheden.
Volgens Bijl is het verlies van een meerderheid op zichzelf niet het grootste probleem. ‘Een minderheidspositie dwingt partijen om elk voorstel inhoudelijk te onderbouwen en steun te organiseren,’ zegt hij tegen het AD. Daarmee wordt zichtbaar waar politiek om zou moeten draaien: overtuigen in plaats van tellen.
Tegelijkertijd laat de situatie zien hoe fragiel lokale coalities kunnen zijn wanneer partijen vooral verkiezingsvehikels zijn. Bijl pleit er daarom voor dat politieke partijen zich steviger organiseren. ‘Dan weet je meer wat voor vlees je in de kuip hebt, als je iemand op de lijst zet,’ zegt hij in het AD. Vereniging zijn betekent investeren in selectie, debat en onderlinge binding — en dus ook in bestuurlijke stabiliteit.
Nissewaard staat daarin niet alleen. Ook in Spijkenisse, een van de voorgangers van de huidige gemeente, kende de raad eerder een minderheidsconstructie. In 1986 bestuurde de PvdA daar zonder formele coalitiepartners, met wisselende gedoogsteun. Dat laat zien dat minderheidsbestuur geen nieuw fenomeen is, maar telkens opnieuw vraagt om politieke volwassenheid.
De huidige situatie maakt duidelijk dat een raadsmeerderheid geen natuurgegeven is. Zetelverhoudingen kunnen verschuiven, fracties kunnen splijten en politieke verhoudingen veranderen. De vraag is dan niet alleen of een coalitie kan overleven, maar of de raad als geheel in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor besluitvorming.
Een minderheidscoalitie legt dat scherp bloot. Niet de machtspositie, maar het functioneren van partijen, raadsleden en debatcultuur wordt doorslaggevend. Dat maakt zulke situaties spannend — en tegelijk leerzaam voor iedereen die lokale democratie serieus neemt.
Het besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk — mogelijk zelfs de opheffing ervan — wordt opnieuw uitgesteld. Zowel de provincie Noord-Brabant als het Rijk geven onverwacht aan pas in juni een richting te kunnen bepalen, tot grote ergernis van inwoners en bestuurders. De gang van zaken roept de vraag op of er wel voldoende afstemming was voordat het college op 11 november het voornemen presenteerde aan ruim 1100 inwoners.
Volgens Omroep Brabant waren provincie en Rijk wel op de hoogte van de aankondiging, maar niet overtuigd van de timing. De provincie laat weten dat zij “nog niet zover was om een ontwikkelrichting te kiezen”. De betrokken ministeries willen zelfs niet bevestigen of zij het voornemen van het college steunden: ‘Hier houden we het even bij op dit moment.’
Bestuurskundige John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, noemt het onwaarschijnlijk dat het college zonder ruggespraak met hogere overheden zo’n ingrijpende stap zou hebben aangekondigd. ‘Ik kan me niet voorstellen dat het college dit voorstelde zonder de voorkennis dat de rest mee zou gaan. Dat zou dom zijn.’
Ook het idee dat Moerdijk het Rijk en de provincie bewust voor het blok wilde zetten, acht hij niet geloofwaardig. ‘Dat lijkt me ook niet waarschijnlijk.’
Er blijft dan een andere mogelijkheid over: dat er aanvankelijk wél steun was, maar dat provincie of Rijk van positie zijn veranderd. Volgens Bijl is dat bestuurlijk laakbaar: ‘Heel onbehoorlijk. Dan is nu de gemeente ineens de gebeten hond.’
De waarderende woorden van minister Hermans tijdens haar persmoment — zij noemde het besluit van Moerdijk ‘moedig’ — krijgen daarmee een andere lading. Bijl: ‘Moedig dat u de hete kolen voor ons uit het vuur haalt, ja. Zonder handschoenen.’
Over de berichtgeving rondom het raadsbesluit over Moerdijk schreef John Bijl deze column:

‘We hadden een erehaag van de kinderen bedacht,’ zegt de inspreker. Naast haar kijken kinderen verwonderd om zich heen. Ze willen de raad van De Fryske Marren een petitie aanbieden. Maar nu de raad niet in het gemeentehuis in Joure vergadert – de raadzaal wordt verbouwd – strookte dat plan niet met de kinderbedtijd. De grote zaal van Heerenveen, waar de raad nu vergadert, zal op de pre-tieners best indrukwekkend overkomen. Maar deze avond zijn ze niet de enigen die wat onbeholpen overkomen.
‘Mijn dochter wilde de petitie zelf aan de burgemeester geven, maar alleen als ze zelf ook mocht tekenen,’ legt de moeder uit. Naast deze handtekening staan er 186 van ouders uit De Fryske Marren op. ‘We hopen dat het zwembad Ny Sudersé weer open kan,’ licht ze de oproep van de petitie toe. Omdat de eigenaar een nieuwe onderaannemer zoekt, is het bad deels dicht. En een ander bad sluit per 1 januari.
De petitie is niet aan dovemansoren gericht. ‘Wy tinke dat wy in oplossing fûn hawwe,’ zegt Geeske Holtrop (Kleurrijk Fryske Marren) — in de raad van De Fryske Marren wordt doorgaans Fries gesproken. Met een motie vreemd wil ze het college vragen het aantal uren zwemles in Ny Sudersé uit te breiden. ‘Zwemveiligheid is een basisvoorwaarde in een wetterich gemeente.’
Uit een onderzoek bleek er te weinig lesuren beschikbaar te zijn, zegt Holtrop. Er zouden zo’n duizend mensen op een wachtlijst staan. Maar een ander onderzoek wijst juist uit dat er voldoende zwemwater is, interrumpeert Roel Roelevink (CDA). ‘Het zwembad in Lemmer zou moet uitbreiden naar twintig uur,’ antwoordt Holtrop. Nu is dat tien uur, zegt ze. Dat ‘zwemwater’ en ‘zwemlesuren’ twee verschillende grootheden zijn, lijkt hen beiden te ontgaan. ‘U schrijft dat het met urgentie naar de raad moet,’ interrumpeert Ivo de Wolff (VVD), ‘op welke termijn is dat?’
‘Het is nog niet zeker of er een nieuwe exploitant voor het zwembad komt,’ begint Holtrop. Ze doet haar best uit te leggen dat er nog veel onzekerheden zijn. Ze valt even stil. ‘Wat was uw vraag ook al weer?’ Op welke termijn, herhaalt Wolff. ‘We hopen dat het in december gereed is,’ zegt Holtrop.
De Wolff vindt de motie prematuur; de gemeente is aan het werk om een exploitant te vinden. ‘We hebben de finishlijn in zicht.’ Volgens hem is de tien uur zwemles al een minimum. ‘Zoals ik het heb begrepen zitten de uren vast,’ interrumpeert Holtrop. De ondernemer zou wel eens blij kunnen zijn als het er meer worden. Echt een vraag is dat niet. ‘Volgens mij zal deze motie alleen werk creëren,’ vindt ook Roelevink. ‘Is de gemeente wel bevoegd om te zeggen of dit of dat moet gebeuren?’ wil Gerda de Vries (FNP) weten.
Dat is het inderdaad niet, antwoord wethouder Barbara Gardeniers. ’Om tot meer zwemlessen te komen ontraden we de motie,’ zegt ze zelfs. De motie zou de besprekingen tussen de eigenaar en een nieuwe exploitant kunnen vertragen. Als dit bad opengaat is voldoende zwemwater, herhaalt Gardeniers, ook als het andere bad dichtgaat. ‘Het klopt toch dat er maar 13,5 uur zwemles geprogrammeerd staat?’ vraagt Holtrop nog. ‘In het contract staat minimaal 13,5 uur,’ zegt de wethouder, ‘niet maximaal’. Als er meer vraag is, komt er ook meer les.
Met die toelichting houdt Holtrop haar motie maar aan. Beter had ze de technische informatie die ze nu heeft gekregen eerst verzameld, en bijvoorbeeld de wethouder gevraagd hoe ze haar gedrevenheid kon omzetten in een raadsinstrument dat ook het college helpt. Misschien had haar motie dan wel met een schoonsprong geëindigd — in plaats van, nou ja, een bommetje.
Deze column verscheen op 1 december 2025 bij Binnenlands Bestuur.
De politieke ophef over de overstap van oud-wethouder Lot van Hooijdonk naar HVC bewijst opnieuw hoe ingewikkeld het is voor oud-politici om een nieuwe baan te vinden zonder dat er een verdenking omheen hangt. Bestuurskundige John Bijl ziet een bekend patroon: ‘Oud-politici kunnen het bijna nooit goed doen. Ga je ergens in het publieke domein werken, dan is het vanwege vriendjespolitiek. Doe je het niet, dan ben je een wachtgeldtrekker. Het imago van de “baantjescarrousel” hangt er altijd omheen.’
Bijl wijst erop dat publieke organisaties juist veel baat hebben bij mensen met bestuurlijke ervaring. ‘Zo’n bedrijf haalt iemand binnen die competent is, die weet waar ze over praat, die het werkveld kent. Ga je dan in de supermarkt staan met die competentie?’ Tegelijkertijd ziet hij dat de arbeidsmarkt voor oud-politici bepaald geen vetpot is: ‘Kijk naar de vele oud-Kamerleden die maar niet aan het werk komen.’
In Utrecht gaat de discussie ondertussen vooral over de schijn van belangenverstrengeling. Van Hooijdonk was als wethouder betrokken bij het onderzoek naar drie opties voor de aanleg van warmtenetten, waaronder samenwerking met HVC. Pas nadat ze vrijwillig opstapte, kozen college en raad voor het bedrijf.
Daardoor wringt haar overstap: raakt haar nieuwe functie aan haar oude portefeuille? Volt-raadslid Ruud Maas noemt de situatie ‘hoogst ongemakkelijk’. De nieuwe – nog niet vastgestelde – gedragscode voor Utrecht stelt immers dat oud-bestuurders twee jaar geen betaalde functies mogen aannemen die direct raken aan hun voormalige portefeuille.
Van Hooijdonk benadrukt dat ze juist alle stappen heeft gezet om discussie te voorkomen. ‘Ik heb geprobeerd niet over één nacht ijs te gaan en ervoor te zorgen dat het deugt’, zegt ze. Juristen en integriteitsspecialisten bevestigden volgens haar dat de functie kan: ze krijgt geen doorslaggevende zeggenschap, werkt vooral met aandeelhouders en internationale partners, en heeft expliciet afgesproken geen Utrechtse dossiers aan te raken.
Volgens Bijl verdient dat onderscheid aandacht. Zorgvuldigheid en beperkingen in de werkzaamheden zijn belangrijk. ‘Tuurlijk moet je op je qui vive zijn, maar als er een goed antwoord op komt, gun je iemand het voordeel van de twijfel. Want wat wil je anders dat oud-bestuurders doen? Of ze gaan aan de slag, of ze blijven thuis zitten met wachtgeld. Als ze hun expertise inzetten zonder belangenverstrengeling, is dat helemaal in de haak.’
De casus-Van Hooijdonk laat zien hoe kwetsbaar de overgang van bestuur naar arbeidsmarkt is. Gemeenten scherpen gedragscodes aan, publieke functies staan onder een vergrootglas en de grens tussen ‘ervaring benutten’ en ‘risico op schijn’ blijft dun.
De vraag is dus niet alleen of deze overstap mag, maar vooral: wanneer is een overstap écht een integriteitsrisico – en wanneer is het vooral wantrouwen?
De situatie in Alphen aan den Rijn – waar nu twee VVD-fracties naast elkaar in de raad zitten – laat volgens bestuurskundige John Bijl zien hoe snel politieke stijlverschillen kunnen uitgroeien tot bestuurlijke instabiliteit. ‘Het draait heel erg om de stijl van politiek bedrijven. Als mensen elkaar niet meer begrijpen in hoe ze in de wedstrijd zitten, wordt het lastig.’
Die observatie raakt aan een bredere staatsrechtelijke werkelijkheid: raadsfracties bestaan niet bij de gratie van partijafspraken, maar bij de manier waarop individuele raadsleden hun mandaat uitoefenen. Afsplitsingen zijn daarom geen systeemfout, maar een signaal dat onderlinge verhoudingen zijn vastgelopen.
Landelijke cijfers bevestigen dat beeld. In bijna de helft van de gemeenteraden ontstaan tijdens een raadsperiode nieuwe fracties. Niet door grote inhoudelijke breuken, maar vaak door onderlinge spanningen, politieke stijlverschillen en profilering richting de verkiezingen.
Juist daarom noemt de commissaris van de koning het ‘zorgelijk’ wanneer spanningen de inhoud overschaduwen: het vertrouwen van inwoners raakt dan direct aan het functioneren van het hoogste bestuursorgaan van de gemeente.
Bijl ziet in de Alphense situatie ook een pragmatischer les. ‘Een fractie die van binnenuit is vastgelopen, werkt niet. Als twee groepen elkaar belemmeren, kan verdergaan in aparte fracties misschien wel de beste oplossing zijn.’
Want uiteindelijk is niet de partijlijn bepalend, maar of de raad als geheel zijn werk kan doen. En precies dat raakt onder druk wanneer stijlverschillen sterker worden dan het debat zelf.
De beelden uit de recente NOS-uitzendingen laten een ontwikkeling zien die veel breder reikt dan Terneuzen alleen: raadsleden, wethouders en burgemeesters ervaren steeds vaker dreiging en intimidatie rondom besluiten over asielzoekerscentra. Het is een patroon dat volgens bestuurders de normale democratische verhoudingen onder druk zet.
In verschillende gemeenten worden raadsleden inmiddels beveiligd tijdens vergaderingen, of vinden beraadslagingen achter gesloten deuren plaats. In Doetinchem werden vuurwerk en eieren naar het gemeentehuis gegooid, in Hoorn stonden demonstranten met fakkels voor de deur, en in Venlo spreken bestuurders openlijk over bedreigingen.
Volgens John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, voelen veel raadsleden de gevolgen daarvan in hun dagelijkse werk:
‘Ik spreek geregeld raadsleden die zeggen: ik durf niet alles meer te zeggen wat ik zou willen zeggen.’ 
Ook in Terneuzen speelde die druk een grote rol. Dat een raadslid in de raadszaal verklaarde niet te durven stemmen, is volgens Bijl geen losstaand incident maar een signaal van een bredere verschuiving. ‘Dat raadsleden niet meer in vrijheid hun stem kunnen uitbrengen omdat ze zich onder druk voelen staan: dan zetten we echt onze democratische rechtsorde op het spel.’
Provinciale bestuurders trekken intussen openlijk aan de bel. In Limburg noemt gouverneur Emile Roemer het “schandalig” dat lokale politici beveiliging nodig hebben. Ook CdK Hugo de Jonge zegt signalen te hebben dat raadsleden onder druk worden gezet en dat dit nadrukkelijk moet worden onderzocht.
Een terugkerend element in de uitzendingen is het verwijt dat gemeenten weinig ruggensteun voelen vanuit Den Haag. Lokale bestuurders moeten de spreidingswet uitvoeren, terwijl landelijke politici regelmatig suggereren dat die wet kan worden ingetrokken of genegeerd. Daardoor stijgt de maatschappelijke druk juist verder, zeggen betrokkenen.
Bijl sluit zich daarbij aan: ‘Het kabinet laat maar weinig van zich horen om het op te nemen voor gemeenten.’ En: ‘Ik had het logisch gevonden als ministers deze week nog hadden gezegd dat de spreidingswet ook in Terneuzen gewoon moet worden uitgevoerd.’
De combinatie van juridisch verplichte besluitvorming, felle lokale emoties en landelijke onduidelijkheid leidt volgens deskundigen tot een kwetsbare situatie. Gemeenteraden stellen besluiten uit, raadsleden ervaren druk op hun persoonlijke veiligheid en bestuurders waarschuwen voor een sluipende normverschuiving.
De vraag die boven de recente ontwikkelingen hangt, is dan ook breder dan één gemeente of één besluit: hoe zorgen we ervoor dat lokale politici hun werk kunnen doen in vrijheid, onderbouwd, en zonder angst? Bijl is daar duidelijk over: ‘We moeten als samenleving iedere dag blijven bevestigen dat intimidatie onacceptabel is. En daar hebben we het Rijk hard bij nodig.’