Politieke dieren hebben hun eigen omgeving nodig

Al meer dan 2000 jaar geleden beweerde Aristoteles dat het bedrijven van politiek in het diepste vezels van de mens zit. De mens is een politiek dier, een zoön politikon of zoals we het nu in het Latijn zeggen: homo politicus. En als je geen politiek dier bent, dan ben je of een god – ver boven de massa – of een beest – minder dan een mens.

Op 11 juni 2022 sprak John Bijl op het partijcongres van de PvdA. Dit is de uitgeschreven tekst.

De mens als politiek dier – maar waar zijn ze gebleven?

De uitspraak van Aristoteles staat niet op zichzelf. Hij was best populair, die gedachte in de tijd van de stadsstaat Athene. Iets meer dan honderd jaar eerder zou mijn baas Perikles tijdens een lofrede hebben gezegd: ‘Wij beschouwen iemand die zich onttrekt aan het maatschappelijk belang niet als iemand die tot last is, maar iemand waar je niets aan hebt.’ En hoewel politiek nog steeds in ons van binnen zit, is er wel iets veranderd aan de manier waarop we politiek hebben georganiseerd.

Vooral in de aantallen van mensen die actief politiek bedrijven door raadslid te worden of in een afdelingsbestuur. Het politiek en het maatschappelijk debat te ondersteunen. Steeds meer lijkt de homo politicus een zeldzame diersoort te zijn geworden. Zeker op links, moet ik daarbij zeggen. Het is vast toeval, denk ik zo, dat de Union for Conservation of Nature met het uitsterven bedreigde diersoorten op de zogeheten Róde Lijst zet.

Het heeft consequenties op het functioneren van onze vertegenwoordigende democratie, die tegenwoordig niet meer direct is, maar langs de lijnen van wat ik een democratische voedselketen verloopt.

Dalende verkiezingsopkomst: kiezers blijven massaal thuis

Vandaag de dag telt Nederland 17.692.306 inwoners. Daarvan hadden er bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen 13.187.770 kiesrecht. Bij de gemeenteraadsverkiezingen is dat cijfer zelfs iets hoger, zoals u weet. Mensen die langer dan vijf jaar aaneengesloten woonachtig zijn in dit land en niet het Nederlanderschap beschikken, mogen we bij de lokale verkiezingen wel meestemmen. Ons kiesrecht is tweeledig. Het actief kiesrecht geeft mensen het recht om een stem uit te brengen, zoals u weet. Vrije verkiezingen zijn immers een bepalend onderdeel van het functioneren van een democratie. En het laat wat te wensen over. Zeker bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen was de opkomst dramatisch. Net de helft van de kiezers nam de moeite om bij de vorige verkiezingen te gaan stemmen. Het was 50,4%. In mijn Rotterdam was de opkomst verreweg het laatst het laagst. 38,9% van de kiezers ging naar de stembus. Op het Rotterdamse stembureau Sommelsdijkse straat, in Pendrecht op Zuid, kwamen van de 1.431 opgeroepen kiezers kiezers er slechts tachtig opdagen. Dat is een opkomst van 5,5%.

De belangrijkste reden waarom kiezers niet naar de stembus gaan, is omdat ze de gemeentepolitiek niet goed begrijpen, zeggen niet-stemmers in een recent gehouden Ipsos onderzoek. Waar gaat gemeentepolitiek precies over? En nog belangrijker wat kunnen raadsleden nou precies doen om daar verandering in te brengen? Wie zijn die raadsleden, Wat kunnen ze en wat willen ze? Onbekendheid en vooral kleurloosheid van politieke besluitvorming zorgde dat de mensen massaal thuis bleven bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen.

Kandidatencrisis: wie wil er nog de politiek in?

Hield het probleem maar op bij het actief kiesrecht. Wanneer je kijkt naar het passief kiesrecht zijn de cijfers nog dramatischer. Het passief kiesrecht is het recht om je kandidaat te stellen voor die vrije verkiezingen. Iedereen van die ruim 13 miljoen stemgerechtigde Nederlanders kan dat. Maar er zijn er maar weinig die dat daadwerkelijk doen. Bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen hebben zich een recordaantal mensen een kandidaat gesteld. Dat waren er 1.591 duizendvijfhonderdnegenenzeventig, dus ruwweg tien keer zo veel als dat er zetels te verdelen waren. Maar het is toch nog maar slechts 0,012 procent van het totale electoraat. En dan tel ik nep-kandidaten, zoals lijstduwers of mensen die eigenlijk liever minister willen worden, er nog bij.

Politieke partijen: een lege vijver om uit te vissen

Voor de lokale verkiezingen is het niet veel beter. Te vaak besluiten hele afdelingen dat de gemeenteraadsverkiezingen voor hen geen zin heeft. Vier jaar geleden besloten de Partij van de Arbeid en de VVD in de forenzengemeente Hardinxveld-Giessendam niet mee te doen, om de doodeenvoudige reden dat zich niet genoeg kandidaten konden vinden. De Partij van de Dieren scoorde bij Tweede Kamer-verkiezingengoed in Delft en Amstelveen, maar moest door het gebrek aan goede kandidaten de gemeentelijke verkiezingen laten schieten. De spoeling is gewoon te dun en hij is dunner dan het lijkt. Julien van Ostaijen, politicoloog van de Universiteit van Tilburg, rekende met een natte vinger uit dat de helft van alle kandidaten bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen eigenlijk liever niet in de raad willen. Mensen die op de lijst worden geplaatst om de boel maar op te vullen en die tot hun eigen schrik soms dan gewoon ook raadslid worden.

Hoewel de kieswet het niet voorschrijft, worden kieslijsten in de regel ingediend door wat we politieke partijen zijn gaan noemen. Het hoeft niet. Iedereen met pen, papier en met kiesrecht kan zich melden voor verkiezingen. Maar het zijn vooral partijen die kandidaten melden. En hoewel het nergens staat, selecteren partijen deze kandidaten vooral uit hun eigen ledenbestand. In theorie zou het kunnen hoor. Iemand op de lijst zetten die geen lid is van je eigen politieke vereniging. Maar ik kan me het gebrek aan comfort om dat te doen goed voorstellen. Daarbij zijn er in ook niet echt in het oog springende voorbeelden. Integendeel. Wanneer een partij nogal eens een beoogd stemmenkanon van buiten werft, loopt dat meestal niet goed af. Denk bijvoorbeeld aan Liane den Haan bij vijftig plus of Wybren van Haga bij FvD.

Dus zit een partij vooral met de leden om daar potentiële kandidaten uit te selecteren. En dan laten de cijfers een problematisch beeld zien. Per 1 januari telde telde de landelijk opererende politieke partijen 37.799 leden. Dat is net iets meer dan 3% van het totale electoraat. Er zijn in dit land meer mensen die de zeldzame mutatie in het gen MC1R (Melanocortine 1 Receptor) hebben; dat heeft 2,45 procent van de de Nederlanders. Door de mutatie wordt er bij hen meer van het pigment feomelanine aangemaakt. Met andere woorden: er zijn meer mensen met rood haar dan dat er lid zijn van een politieke partij.

Voor een levendige democratie, of liever gezegd een democratie die levendig zou moeten zijn, is dat verdomd weinig. De meeste leden roeren zich ook nog niet eens in het actieve politieke leven. De meesten zijn slechts donateur. Goed, misschien dat er eens een keer iemand komt opdagen in een werkgroep of deelneemt aan een politiek café. Maar naar schatting zijn slechts tien procent van alle leden van landelijke politieke partijen ook actief in de beweging. Afdelingsbestuurders hier in de zaal zullen me vast bijvallen. Een uitzondering zijn de lokale politieke verenigingen. Daar is de participatie wat groter, veel hoger naar het schijnt. Al is het aantal leden wel een stuk lager. In dit land zijn er ongeveer 800 lokale politieke partijen en hun ledenbestand wordt niet echt actief bijgehouden. We weten het niet zeker, maar slechts door anekdotisch bewijs of steekproef ga ik ervan uit dat de lokale politieke verenigingen zo’n tien procent van de landelijke politieke leden telt. En laten we zeggen dat ongeveer een derde daarvan actief is.

Met ruwweg 37.000 actieve leden bij landelijke politieke verenigingen en een kleine twaalfduizend bij lokale partijen kunnen het dus nooit meer dan 40.000 mensen zijn die beschikbaar zijn voor de actieve politiek.

Dat cijfer verontrust me. Nederland kent ongeveer 8.500 raadsleden, 750 Statenleden die worden ondersteund door naar schatting zo’n 3.000 burgercommissieleden. Tel daar 342 burgemeesters, twaalf commissarissen van de Koning, duizendtweehonderd wethouders, zestig gedeputeerden, 374 waterschappen, bestuurders, 75 Eerste Kamerleden en 150 Tweede Kamerleden. Pak hem beet 25 personen in het kabinet en zo’n grofweg 4.000 mensen die lid zijn van een afdelingsbestuur of een commissie van de politieke vereniging. Rond het af naar 20.000.

Er zijn dus twintigduizend politieke posities in ons land. Dat betekent dat wanneer een partij moet kiezen om iemand een actieve politieke functie te geven en partijpolitieke functie te geven, dat ze een keuze hebben van één op twee. De zonzijde is dat als je actief lid bent van een politieke vereniging, dat de kans groot is dat je ook wat kan gaan doen. En eigenlijk dat je een sukkel moet zijn als dat nog niet is gelukt.

Het heeft wel zijn consequenties. Politieke partijen hebben namelijk een functie in ons bestel dat dieper gaat dan alleen het inleveren van kandidatenlijsten. Ten eerste hoort bij een kandidaatstelling, proces, opleiding en selectie. Landelijke politieke verenigingen hebben opleidingsbureaus die trainingen verzorgen aan kandidaten en aan zittende politieke ambtsdragers. Dat is nodig, want ondanks dat het volksvertegenwoordigerschap een leken bestuur is, wil dat niet zeggen dat het door amateurs moet worden uitgevoerd. Selectie is ook nodig. Voor de meeste mensen is het niet goed duidelijk wat een volksvertegenwoordiger allemaal doet. En partijen bieden dan een keurmerk.

Ik vraag me af of beide functies nog goed functioneren, als je maar een keuze hebt van een op twee.

Voor de tweede functie moet je terug naar waarom er politieke partijen zijn. Nu zijn politieke groeperingen zo oud als democratie zelf. In de tijd van Perikles verenigden politiek gelijkgestemden zich ook net zo goed. En wie daar een doorkijkje van wil Ik kan de romancyclus van Robert Harris over Cicero goed aanbevelen. Hij laat laat zien hoe partijpolitieke verenigingen in het oude Rome al bestonden. En ook toen onze democratie nog een districtenstelsel was, waren er politieke groeperingen die kandidaten selecteerden, campagne voor ze voerden. En laten we dat niet vergeten aanstuurden.Toen onze democratie een evenredige democratie werd, merkten vooral de gereformeerden dat ze samen sterker stonden tegen de veel beter georganiseerde liberalen. Niet veel later kreeg de arbeidersbeweging dat ook door en konden ook de liberalen niet achterblijven met het oprichten van een formele vereniging.

Een politieke partij zoals je wil. Die verenigingen ontstonden niet per se om macht in het parlement te consolideren, maar om een stem te geven aan de achterban. De eerste taak van een politieke vereniging is het vorm en misschien wel richting geven aan de argumenten en idealen van de minderheid in de samenleving die ze vertegenwoordigen en mensen oproepen en motiveren mee te doen in dat debat. Voor zichzelf opkomen en verhalen vertellen over wat ze meemaken, de verschillen waar Tim ’s Jongers het over had, het geldt heden ten dagen ook nog steeds voor nieuwe partijen zoals Denk of 50Plus en eigenlijk ook voor de oudste landelijk opererende partij in ons land, de SGP. Allen zijn ze nog steeds emancipatiebewegingen die op moeten komen voor hun achterban. En daarbij geeft de politieke partij de volksvertegenwoordigers de mogelijkheid om meer voelsprieten in de samenleving te hebben dan dat ze zelf ooit zouden kunnen organiseren. In de verzuiling was dat makkelijk. Het stroomde allemaal wel naar boven. De zuilen waren schoorstenen waar argumenten uit de onderkant van de samenleving vanzelf naar de top toe werd getrokken.

En tegenwoordig zouden politieke partijen die rol nog steeds moeten vervullen. Het zijn netwerkorganisaties. Naast de emancipatiebeweging kunnen netwerkorganisaties standpunten aanvullen of versterken. Ik noem dat de aggregerende functie van politieke partijen. Verhalen ophalen, argumenten verzamelen, de rode draad daaruit halen en de thema’s erin zoeken en kijken of ze bruikbaar zijn in de politieke besluitvorming en het besluitvormingsproces.

PvdA en GroenLinks: fusie als oplossing of risico?

In de huidige discussie over de mogelijke samenwerking met GroenLinks die de PvdA nu voert, merk ik, mis ik serieus dat element. De belangrijkste argumenten voor de samenwerking gaan over machtsvorming in het parlement. ‘Een vuist maken’ zoals het wordt gezegd. Natuurlijk, bij elkaar opgeteld zijn de fracties in de Eerste en Tweede Kamer inderdaad groter.
Je weet niet hoe het eruitziet na verkiezingen, maar in de politiek is het niet altijd de grootte die de macht bepaalt. De grootte van de vuist is niet degene wat je het meeste invloed geeft. Het is vaak de snelheid waarmee die vuist aankomt en die wordt bepaald door de kracht van de argumenten die je in je betoog weet te vatten. En juist die argumenten ophalen uit de samenleving is waar je een politieke partij voor nodig hebt.

De toekomst van de democratie: verschil als kracht

Hoewel een samenwerking tussen PvdA en GroenLinks het zetelaantal voor deze beweging zal doen toenemen. Wie weet niet hoe het er uit ziet na de volgende verkiezingen? Maak ik me toch vooral meer zorgen om de ledenaantallen van politieke partijen. Het gebrek aan actieve politieke participatie beschouw ik als de grootste bedreiging van onze democratie, nog boven polarisatie en de openlijk fascistische uitspraken die we tijdens betogen en zelfs in ons parlement horen. Gaat een fusie van die fracties meer ledenaantallen brengen? Rood meer kleur op de wangen geven? Ik denk het niet. Democratie bestaat immers bij de gratie van het verschil. En ik zou willen beweren dat de essentie van democratie het erkennen van die verschillen is.

Verschillen van mening, van oriëntatie, van overtuiging en van stijl. De manier van politiek bedrijven. En een fusie tussen partijen zal die verschillen altijd uit de weg gaan of dempen. Ik zie een metafoor met gemeentelijke herindelingen. Na een gemeente fusie daalt de opkomst tot tien procentpunt en de participatie in een nieuwe gemeente blijft vaak decennia achter. Een herindeling gemeente wordt door inwoners als kleurloos ervaren — en ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat het bij een fusie van twee partijen anders zal zijn.

Je ziet het goed in de lokale politiek. Politici die alleen maar wijzen in hoeverre ze op elkaar lijken. We willen toch allemaal hetzelfde? Verliezen hun democratisch bestaansrecht wanneer het er niet toe doet of niet toe lijkt te doen? Blijven kiezers thuis? De opkomst bij de burgemeestersverkiezingen in Utrecht ging tussen Ralph Pans en Aleid Wolfsen. Weet u nog? Een PvdA-zeven-vinker nummer 1 en een PvdA-zeven-vinker nummer 2. De opkomst was 9 procent. Vergelijk het eens met de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam in 2002, toen Pim Fortuyn meedeed met zijn Leefbaar Rotterdam. De opkomst was hoger dan de vier jaar daarvoor, maar ook de vier jaar daarna. In 2006 was de opkomst weer hoger, omdat de politieke strijd mensen naar de kiezer naar de stembus trok. In 1998 was er een strijd in Zoetermeer over wel of niet gedifferentieerd afval inzamelen, het zogeheten diftar. De opkomst was nooit zo hoog geweest.

Mensen willen wat te kiezen hebben, zeker in onze pluriforme, seculiere en individualistische samenleving, waar kiezers selectiever zijn dan ooit. Niet alleen op het stembiljet, maar ook in de supermarkt. In de jaren tachtig kon je het als uitbater nog permitteren om alleen Heineken, Amstel en Bavaria in het bierschap te hebben. En tegenwoordig willen we juist wat te kiezen hebben, ook op het stembiljet. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Lelystad kwamen er veertien fracties in de raad. Niet omdat mensen zich afsplitsen, maar omdat de kiezer dat wilde. Die wilde die verscheidenheid. Pluriformiteit, mensen, is een zege, een overwinning op de gelijkvormigheid van de verzuiling.

De grootste uitdaging van links is niet samenwerking en kracht in het parlement. Macht bij gebrek aan een beter woord en misschien toegankelijker begrip invloed zijn altijd het gevolg van emancipatie van de achterban van mensen. Groepen die voor zichzelf opkomen in de samenleving en een stem terecht opeisen. Zetel aantallen zijn een consequentie van eigen verantwoordelijkheid en zelfverzekerdheid. Wat mij betreft doet links er goed aan om niet de overeenkomsten, maar juist de verschillen te benadrukken. Dat kan zonder elkaar te bestrijden overigens door juist vanuit die verschillen je eigen standpunt te benadrukken. Motiveer je anderen te participeren. Je moedigt mensen aan om lid te worden en te gaan stemmen en wellicht te emanciperen. De toekomst van onze democratie is wat mij betreft niet in het zoeken van overeenkomsten, maar juist in het erkennen van het verschil.

De lezing is hier terug te kijken.