Minderheidscoalitie vraagt ander politiek gedrag

Dat zegt Bijl in een interview bij Radio 1, waar het ging over de plannen voor een minderheidskabinet met 66 zetels. De NOS deed daar verslag van. Staatsrechtgeleerde Corné Smit (Universiteit Leiden) wees op de Nederlandse scepsis: het land kent nauwelijks ervaring met minderheidskabinetten. De historische voorbeelden roepen vooral beelden van instabiliteit op.

Gemeentelijke praktijk als leeromgeving

Die scepsis herkent Bijl, maar hij plaatst er een belangrijke kanttekening bij. In gemeenten is het werken met minderheidsbesturen geen uitzondering. ‘Een ouderwetse coalitie betekent dat je kunt rusten op een vanzelfsprekende meerderheid,’ zegt hij tegen NOS. ‘Bij een minderheidsconstructie moet je steeds opnieuw laten zien waarom een voorstel deugt.’

Gemeenten als Gooische Meren, Castricum en Baarn hebben daar al ervaring mee. Dat vraagt om een andere houding van zowel bestuur als oppositie. Bijl: ‘Dan moet iedereen zich wel goed gedragen.’

Oproep aan oppositiepartijen

Juist de rol van de oppositie wordt bij een minderheidskabinet bepalend. Partijen die zich afzijdig houden omdat ze niet bij de formatie betrokken waren, doen hun kiezers tekort. ‘Wie gaat zitten mokken, kan niets betekenen,’ zegt Bijl. ‘Ik zou iedere fractie oproepen om te kijken hoe je hier zelf zo constructief mogelijk aan kunt bijdragen.’

Die oproep raakt aan een bredere vraag: is de nationale politiek in staat om het gemeentelijke pragmatisme over te nemen? Minder automatisme, meer inhoudelijke afweging. Minder machtspolitiek, meer publieke verantwoording.

Kans of risico?

Luisteraars van het radioprogramma zijn verdeeld. Sommigen vrezen instabiliteit en korte levensduur, anderen zien juist ruimte voor samenwerking buiten vaste blokken. De vergelijking met landen als Denemarken, waar minderheidskabinetten eerder regel dan uitzondering zijn, laat zien dat het ook anders kan.

De kernvraag is daarmee niet of een minderheidskabinet ‘werkt’, maar welk politiek gedrag we ervan verwachten. Als macht het uitgangspunt blijft, ligt mislukking op de loer. Als inhoud en samenwerking centraal staan, kan een minderheidskabinet juist dwingen tot volwassen politiek. Dat is geen garantie op succes, maar wel een uitnodiging om het anders te doen.

Waarom zou je je nog verkiesbaar stellen voor de gemeenteraad? Die vraag staat centraal in de reportagereeks De Week Van in het programma De Rode Draad op NPO Radio 1. Redacteur Sandrine Thelosen spreekt John Bijl over de aantrekkelijkheid — en de zwaarte — van het raadslidmaatschap.

Volgens Bijl is het werk in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. ‘Het takengebied van gemeenten is door alle decentralisaties juist ingewikkelder geworden. Het is meer dan verdrievoudigd.’ Tegelijkertijd zijn er door herindelingen minder raadsleden dan vroeger.

Dat vertaalt zich in tijd. ‘Gemiddeld is een raadslid tegenwoordig tussen de achttien en de twintig uur per week bezig met het raadswerk.’ In grotere gemeenten kan dat oplopen. En die belasting groeit jaarlijks.

Daar komt bij dat de sociale druk is toegenomen. ‘Zeker het afgelopen jaar zagen we bedreigingen en intimidaties. Dat is niet leuk natuurlijk en zeker ook schadelijk voor de democratie en de kwaliteit van democratische besluiten.’ Toch ziet Bijl dat de motivatie van raadsleden groot blijft: ‘De ambitie — of roeping als je wil — is nog steeds groter dan de angst om bedreigd te worden. Maar leuker wordt het er niet op. Het kost bakken energie.’

De vraag waarom mensen zich toch kandidaat stellen, raakt daarmee aan de kern van lokale democratie: het hoogste bestuursorgaan van de gemeente draait op betrokken inwoners die bereid zijn tijd, energie en publieke verantwoordelijkheid op zich te nemen. In het item De Week van Sandrine is de hele weer te horen op NPO Radio 1.

Bekende sporters en mediapersoonlijkheden als lijstduwer: het blijft een terugkerend fenomeen bij gemeenteraadsverkiezingen. In een artikel van het Algemeen Dagblad over Haagse sporticonen op de kandidatenlijst van Hart voor Den Haag duidt John Bijl het effect en de betekenis van die strategie.

Aanleiding is het aantrekken van onder anderen Lex Schoenmaker als lijstduwer, naast eerdere bekende namen als Raymond van Barneveld en Tom Beugelsdijk. De vraag: levert zo’n bekende Hagenaar extra zetels op?

Bijl is nuchter over de cijfers. ‘Die cijfers bewijzen: een bekende lijstduwer levert niet zo veel op.’ Eerdere verkiezingen laten zien dat veel bekende namen slechts enkele honderden stemmen trekken — te weinig voor een zetel.

Maar zijn kritiek gaat verder dan effectiviteit alleen. ‘Bovendien vind ik het kiezersbedrog als je op een lijst gaat staan voor de leukigheid. Een kandidatenlijst is geen reclamezuil. Als je op een lijst gaat staan, moet je er potverdorie rekening mee houden dat je de raad in kan komen. Wil je dan niet, dan moet je wegwezen.’

Daarmee raakt Bijl aan een principieel punt over representatie. Kandidatenlijsten zijn geen marketinginstrument, maar de personele belichaming van het hoogste bestuursorgaan van de gemeente. Wie zich verkiesbaar stelt, moet bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen.

Nieuw Sociaal Contract doet in vijf gemeenten mee aan de gemeenteraadsverkiezingen, waaronder Eindhoven. In het Eindhovens Dagblad duidt John Bijl de positie van de partij in de lokale context.

NSC presenteert een inspirerend raamwerk voor de nieuwe afdelingen, met thema’s als bestaanszekerheid en herkenbaarheid. Maar volgens Bijl is dat nog geen garantie voor electorale doorbraak. ‘Het zou me eerlijk gezegd verbazen als het de partij lukt om in een van de gemeenten in de raad te komen.’

Hij wijst erop dat de partij bij de laatste Kamerverkiezingen zwaar verloor. ‘De kiezer heeft duidelijk aangegeven dat ze vindt dat NSC het heeft verkloot.’ Dat landelijke sentiment werkt door op lokaal niveau.

Tegelijkertijd nuanceert Bijl: lokale verkiezingen draaien niet alleen om landelijke reputatie. ‘Alleen als er op lokaal niveau een aansprekend figuur, een plaatselijke bekendheid in stelling wordt gebracht, zou het misschien kunnen lukken.’

Daarmee raakt hij aan een bredere dynamiek van gemeenteraadsverkiezingen: landelijke partijen hebben niet automatisch lokaal draagvlak. Lokale herkenbaarheid, organisatiekracht en kandidatenkwaliteit zijn doorslaggevend.

In de De Gelderlander reageert John Bijl op het besluit van ambtenaren van de provincie Gelderland om op te stappen vanwege een conflict over de bescherming van oude bosgroeiplaatsen. De provincie wil 1700 hectare kleine bosgebieden niet langer actief beschermen, om bouwprojecten meer ruimte te geven.

Volgens betrokken ambtenaren zijn daarbij criteria gehanteerd die onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. Het college wijst op het coalitieakkoord en stelt dat de gebieden ook zonder aparte status voldoende beschermd blijven.

Bijl noemt het vertrek van ambtenaren ‘best bijzonder’. Inhoudelijke verschillen tussen bestuurders en ambtenaren komen vaker voor, ook landelijk. Maar daadwerkelijk opstappen vanwege beleidskeuzes is uitzonderlijk. Daarmee raakt de kwestie aan een principieel punt: hoe verhoudt ambtelijke professionaliteit zich tot politieke verantwoordelijkheid?

In het provinciale bestuur ligt de uiteindelijke afweging bij de politiek. Tegelijkertijd is de kwaliteit van besluitvorming gebaat bij zorgvuldig ambtelijk advies en wetenschappelijke onderbouwing. Juist wanneer die twee onder druk komen te staan, wordt zichtbaar hoe kwetsbaar – en tegelijk essentieel – de balans is tussen politiek primaat en ambtelijke integriteit.

Door het vertrek van Remon van Bree naar een oppositiepartij beschikt de coalitie nog over 18 van de 37 zetels. Formeel is zij daarmee in de minderheid. In de praktijk blijft besluitvorming mogelijk doordat enkele raadsleden structureel afwezig zijn, maar die kwetsbare balans onderstreept hoe afhankelijk het bestuur is geworden van incidentele omstandigheden.

Minderheid als politieke realiteit

Volgens Bijl is het verlies van een meerderheid op zichzelf niet het grootste probleem. ‘Een minderheidspositie dwingt partijen om elk voorstel inhoudelijk te onderbouwen en steun te organiseren,’ zegt hij tegen het AD. Daarmee wordt zichtbaar waar politiek om zou moeten draaien: overtuigen in plaats van tellen.

Tegelijkertijd laat de situatie zien hoe fragiel lokale coalities kunnen zijn wanneer partijen vooral verkiezingsvehikels zijn. Bijl pleit er daarom voor dat politieke partijen zich steviger organiseren. ‘Dan weet je meer wat voor vlees je in de kuip hebt, als je iemand op de lijst zet,’ zegt hij in het AD. Vereniging zijn betekent investeren in selectie, debat en onderlinge binding — en dus ook in bestuurlijke stabiliteit.

Historisch perspectief

Nissewaard staat daarin niet alleen. Ook in Spijkenisse, een van de voorgangers van de huidige gemeente, kende de raad eerder een minderheidsconstructie. In 1986 bestuurde de PvdA daar zonder formele coalitiepartners, met wisselende gedoogsteun. Dat laat zien dat minderheidsbestuur geen nieuw fenomeen is, maar telkens opnieuw vraagt om politieke volwassenheid.

Meer dan rekenen

De huidige situatie maakt duidelijk dat een raadsmeerderheid geen natuurgegeven is. Zetelverhoudingen kunnen verschuiven, fracties kunnen splijten en politieke verhoudingen veranderen. De vraag is dan niet alleen of een coalitie kan overleven, maar of de raad als geheel in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor besluitvorming.

Een minderheidscoalitie legt dat scherp bloot. Niet de machtspositie, maar het functioneren van partijen, raadsleden en debatcultuur wordt doorslaggevend. Dat maakt zulke situaties spannend — en tegelijk leerzaam voor iedereen die lokale democratie serieus neemt.

De discussie over wethouders die zich tegelijkertijd profileren als lijsttrekker krijgt een vervolg. Na een recente column op Wat is democratie waarin John Bijl de spanning tussen bestuur en campagne analyseerde, zijn in de Hoeksche Waard raadsvragen gesteld. In het Algemeen Dagblad licht Bijl zijn standpunt verder toe.

Volgens Bijl botsen de functies principieel. ‘Een wethouder bestuurt de stad en spreekt namens het college, dat met één mond hoort te spreken. Een lijsttrekker daarentegen benadrukt juist de verschillen en voert campagne voor de partij. Die twee rollen botsen.’

Hoewel de wet deze combinatie toestaat, wijst hij op het risico voor het dualisme: de scheiding tussen het controlerende werk van de raad en het uitvoerende werk van het college. In verkiezingstijd wordt die spanning zichtbaarder. ‘Je wilt een lijsttrekker die vrijuit kan zeggen: “Dit is waar wij als partij voor staan.” Maar een wethouder moet compromissen sluiten. Die spanning is onvermijdelijk.’

Bijl pleit daarom voor een structurele oplossing. ‘Maak het onmogelijk dat een raadslid na zijn verkiezing nog wethouder wordt.’ Daarmee worden partijen gedwongen helder te kiezen: wie staat op de lijst om te vertegenwoordigen, en wie bestuurt?

De discussie overstijgt de Hoeksche Waard. Zij raakt aan de kern van representatieve democratie: transparantie, rolzuiverheid en de betekenis van een kandidatenlijst. ‘Een kieslijst is geen vacaturesite voor het wethouderschap. Het is een lijst van mensen die zeggen: ik wil u vertegenwoordigen. Wie zich daarop laat zetten zónder die ambitie, bedriegt de kiezer, zichzelf en de democratie.’

In gemeenten kan maatschappelijke spanning snel politiek worden. Zeker wanneer religie, identiteit en ruimtelijke ordening samenkomen. Dan ontstaat druk op bestuurders om ‘de achterban te volgen’.

De Volkskrant publiceert deze week een uitvoerige reportage over het conflict tussen het Islamitisch Centrum Barendrecht en het gemeentebestuur. De casus laat volgens John Bijl zien hoe kwetsbaar de verhouding kan worden tussen politieke druk en juridische zorgvuldigheid. ‘In een democratie zijn politici niet alleen spreekbuizen van hun achterban, maar hebben zij ook de taak om de belangen van minderheden te beschermen’, zegt hij in de krant.

Juist in dit soort dossiers worden de rechtsstatelijke beschermingsmechanismen zichtbaar: onafhankelijke rechters, bezwaarprocedures en het overgangsrecht. Dat zijn geen formaliteiten, maar waarborgen van behoorlijk bestuur.

Democratie is meer dan meerderheidsmacht. De kwestie in Barendrecht raakt aan kernvragen van lokaal bestuur: hoe bewaak je betrouwbaarheid als overheid in een gepolariseerde omgeving? En welke verantwoordelijkheid draagt het college wanneer maatschappelijke spanningen oplopen? Bestuurders hebben niet alleen een representatieve taak, maar ook een rechtsstatelijke verantwoordelijkheid.

De samenstelling van de VVD-kandidatenlijst leidt tot discussie nadat raadslid Annemarie van Nieuwamerongen niet is teruggekeerd op de lijst. Zij stelt dat haar is gevraagd alleen als lijstduwer mee te doen, onder de voorwaarde dat zij geen campagne zou voeren en een eventuele verkiezing niet zou accepteren.

In het bericht wordt ook John Bijl geciteerd over de juridische houdbaarheid van zo’n afspraak. Volgens hem staat een dergelijke voorwaarde op gespannen voet met het vrije mandaat. Hij verwijst naar artikel 27 van de Gemeentewet: wie met voldoende voorkeurstemmen wordt gekozen, kan worden geïnstalleerd. ‘Je kunt beloven wat je wil, maar handhaafbaar is het niet.’

Bijl benadrukt dat een zetel uiteindelijk niet van een partijbestuur is, maar van de kiezer. ‘Zodra de kiezer via voorkeurstemmen een kandidaat heeft gekozen, is de interne partijbelofte juridisch en politiek tandeloos en in strijd met het vrije mandaat van de gekozene.’

De kwestie raakt aan een principieel punt in het lokale staatsrecht: kandidatenlijsten zijn geen interne rangorde alleen, maar een publiek aanbod aan de kiezer. Wie daarop staat, moet bereid zijn het mandaat te aanvaarden.

Het besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk — mogelijk zelfs de opheffing ervan — wordt opnieuw uitgesteld. Zowel de provincie Noord-Brabant als het Rijk geven onverwacht aan pas in juni een richting te kunnen bepalen, tot grote ergernis van inwoners en bestuurders. De gang van zaken roept de vraag op of er wel voldoende afstemming was voordat het college op 11 november het voornemen presenteerde aan ruim 1100 inwoners.

Volgens Omroep Brabant waren provincie en Rijk wel op de hoogte van de aankondiging, maar niet overtuigd van de timing. De provincie laat weten dat zij “nog niet zover was om een ontwikkelrichting te kiezen”. De betrokken ministeries willen zelfs niet bevestigen of zij het voornemen van het college steunden: ‘Hier houden we het even bij op dit moment.’

Bestuurskundige John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, noemt het onwaarschijnlijk dat het college zonder ruggespraak met hogere overheden zo’n ingrijpende stap zou hebben aangekondigd. ‘Ik kan me niet voorstellen dat het college dit voorstelde zonder de voorkennis dat de rest mee zou gaan. Dat zou dom zijn.’

Ook het idee dat Moerdijk het Rijk en de provincie bewust voor het blok wilde zetten, acht hij niet geloofwaardig. ‘Dat lijkt me ook niet waarschijnlijk.’

Er blijft dan een andere mogelijkheid over: dat er aanvankelijk wél steun was, maar dat provincie of Rijk van positie zijn veranderd. Volgens Bijl is dat bestuurlijk laakbaar: ‘Heel onbehoorlijk. Dan is nu de gemeente ineens de gebeten hond.’

De waarderende woorden van minister Hermans tijdens haar persmoment — zij noemde het besluit van Moerdijk ‘moedig’ — krijgen daarmee een andere lading. Bijl: ‘Moedig dat u de hete kolen voor ons uit het vuur haalt, ja. Zonder handschoenen.’

Over de berichtgeving rondom het raadsbesluit over Moerdijk schreef John Bijl deze column: