Help, de burgemeester verzuipt! Wie trekken hem op het droge?

Voor heel wat veiligheidsvraagstukken wordt er naar de burgemeester gekeken. En bij incidenten is hij na de hulpdiensten vaak als eerste ter plaatse. Maar wat kan de burgmeester doen? ‘Hij krijgt veel verantwoordelijkheid voor het oplossen van criminaliteit, terwijl er geen middelen tegenover staan,’ legt John Bijl uit in De Stentor.

De krant maakt een rondgang bij burgemeesters en hun adviseurs over de mogelijkheden om de openbare orde en veiligheid te bewaren. ‘De burgmeeester moet altijd naar de minister om meer politiecapaciteit te vragen, mag dat niet zelf beslissen,’ zegt Bijl. ‘De burgemeester is de spin in het web van het gemeentebestuur en de politie. Wat je als burgemeester moet doen, is heel duidelijk maken waar de focus ligt en wat er in de samenleving speelt.’

Volgens Bijl is de burgemeester eerder een ‘poldersheriff’. ‘Hij moet altijd naar de minister om meer politiecapaciteit te vragen, en mag dat niet zelf beslissen.’ Het maakt burgemeester niet helemaal machteloos, vindt Bijl. Als ambtsdrager kan hij niet de middelen regelen, maar wel de toon zetten en focus aanbrengen. ‘Wat je als burgemeester moet doen, is heel duidelijk maken waar de focus ligt en wat er in de samenleving speelt. De burgemeester is de spin in het web van het gemeentebestuur en de politie.’

Daarnaast speelt de burgemeester een belangrijke rol in rust bergen in de samenleving. ‘Met name sinds de politie landelijk is geworden en er geen lokaal aanspreekpunt meer is, is de rol van burgemeester prominenter geworden.’ Zeker bij grotere gebeurtenissen is vaak de burgemeester eerst aan het woord. ‘Hij is woordvoerder van veiligheidsbeleid, maar niet de uitvoerder. Je moet dus aan het publiek duidelijk maken waar je bevoegdheden liggen.’

Vooral op deze laatste rol bij calamiteiten worden burgemeester goed voorbereid. ‘Als er een grote ramp gebeurt, moet je het wel op orde hebben in je bovenkamer.’ De rol van de burgemeester is vooral zorgen dat de ‘normale situatie’ snel terugkeert. Dat vraagt van de burgemeester snel schakelen. ‘Jij staat er, als de camera op je af komt, moet jij het woord doen. Vaak is het niet bij goed nieuws dat ze op je af komen. En ondanks alle adviezen die je kreeg en klasjes die je hebt gevolgd, ben jij eindverantwoordelijk.’ Toch zullen zeker rampen en grote ongelukken altijd onzekerheden hebben. ‘Eigenlijk kun je je alleen maar voorbereiden op het feit dat je verrast zult worden.’

‘De Brielse raad welbewust stukken over de bestuurlijke toekomst achtergehouden voor de raadsvergadering,’ concludeert Bijl. ‘Daarmee overtrad de gemeenteraad van Brielle de fatsoensregels voor de openbaarheid van bestuur, het eigen Reglement van Orde én de Gemeentewet.’

Bij de raadsvergadering deze week besprak de raad een uitgebreid rapport met daarin verschillende scenario’s voor de bestuurlijke toekomst van Brielle. De gemeenteraad nam het advies te kiezen voor een herindeling met Hellevoetsluis en Nissewaard uit het rapport over.

Voor de publieke tribune was dat een verrassing. Het rapport stond niet op de agenda. pas bij de aanvang van de raadsvergadering werd het rapport openbaar gemaakt. Lokale verslaggevers ontvingen het rapport om 16:15 uur ‘onder embargo’ via mail, iets minder dan drie uur voor de vergadering dus. ‘Terwijl de Gemeentewet met artikel 19 toch echt verplicht de agenda en de stukken bij de oproep van de vergadering bekend te maken,’ zegt Bijl.

Feit is dat zij sinds 1 januari allemaal onder preventief toezicht van hun provincie staan. Preventie is meestal goed nieuws. Preventie voorkomt erger. Maar preventie is niet altijd leuk om te ondergaan. Denk aan hoestdrank, fouilleren, of darmonderzoek.

Onder preventief toezicht vervalt het budgetrecht van de raad als het ware aan Gedeputeerde Staten. De begroting, goedgekeurd door de raad, is per kerende post – voorlopig – afgekeurd door de provincie. De gemeente mag in dat geval geld uitgeven tot het niveau van de vorige begroting. Voor uitgaven daarboven moet de gemeente toestemming vragen aan Gedeputeerde Staten. Die toestemming komt alleen onder hele strikte voorwaarden die erop neerkomen dat de gemeente verder van huis is als er níet wordt betaald. Tot slot moet de gemeente een herstelplan maken.

Het is dus een ingrijpende maatregel waar je niet te lichtvaardig op aanstuurt. Den Haag was vanwege een collegecrisis niet in de gelegenheid om de begroting op tijd vast te stellen en kreeg alleen al daarom preventief toezicht aangezegd. Naar verwachting is dat probleem snel hersteld. Hoe zit dat voor Zwijndrecht, Vlaardingen en Assen?

Alle provincies gebruiken hetzelfde gemeenschappelijk toezichtskader. De sleutelwoorden in dat toezichtskader zijn ‘structureel en reëel evenwicht’. Structureel evenwicht betekent dat tegenover de ‘vaste lasten’ van de gemeente, de taken die de gemeente elk jaar hoe dan ook uitvoert, ook vaste en zekere inkomsten staan. Als je terugkerende taken gaat financieren met extraatjes of spaarpotten, dan heb je op termijn geen geld meer voor de uitvoering van die taken. Reëel evenwicht wordt van belang bij bezuinigen: is de in de begroting opgenomen bezuiniging serieus doordacht, staan er daadwerkelijk geschrapte maatregelen tegenover of blijft het bij een vaag plan?

Vlaardingen krijgt er met deze woorden van langs omdat de gemeente voor alle jaren een flink negatief resultaat laat zien. Assen zag zich door een coalitiecrisis genoodzaakt de begroting sluitend te maken met een meer dan forse greep uit de reserves, maar de provincie heeft er onvoldoende vertrouwen in dat het evenwicht in meerjarig perspectief met een nieuwe coalitie eenvoudig hersteld zal worden. Werk aan de winkel dus.

En Zwijndrecht? Zwijndrecht heeft woord gehouden en vanwege de oplopende kosten in het sociaal domein een niet-sluitende begroting bij de provincie ingediend. Daarmee bewust aansturend op preventief toezicht. Nu kijkt de provincie dus indringend mee. En dan blijkt er toch meer aan de hand te zijn. Zwijndrecht was de komende jaren volgens de financiële kengetallen van plan onbesuisd veel te lenen, evenveel uit te geven en daar staan geen structurele inkomsten tegenover. Reserves lopen leeg en het eigen vermogen loopt dramatisch terug. De gemeente kan eigenlijk geen tegenwind meer hebben. Hier moet gesaneerd worden. Langs de neus weg wijst de provincie op de mogelijkheid om de enige extra opbrengst die er wél aan zit te komen – die van de verkoop van de aandelen in Eneco – dan maar te gebruiken voor het dempen van de schuldenberg. Dat is vast een streep door de plannen van menig Zwijndrechts politicus. Je begint je toch af te vragen of iemand daar naar de woorden van inmiddels burgemeester Mol geluisterd heeft en stilletjes heeft gedacht: ‘dat wil ik ook’.

Michiel van der Eng is senior trainer en specialist gemeentefinanciën bij het Periklesinstituut. Maandelijks schrijft hij de column #hetgaatnietovergeld voor Binnenlands Bestuur. Deze column verscheen daar op 31 januari 2020.

‘Observaties’ noemt Remkes zijn constateringen. Om er ook aan toe te voegen dat het gaat om ‘een beperkte waarneming’, die hij ‘gaarne inruilt voor betere en/of aanvullingen’. Zijn de Haagse raadsleden echt zo slecht? ‘Onder het gemiddelde’, luidt het straffe oordeel van John Bijl. ‘Den Haag lijkt wel een vechtkooi waarin politici punten scoren ten koste van een ander verwarren met politiek bedrijven’

 

Verder in deze talkshow: het eerste publieksinterview met nieuwe wethouder Hilbert Bredemeijer en de motie die er voor zorgt dat er alleen nog maar duurzaam gegeten kan worden op het stadhuis. Gemeenteraadslid Chris van der Helm (VVD) ziet er weinig in, zijn collega Janneke Holman (PvdA) is enthousiast.

Er ging meteen wat ophef door de Kamer. Zelfs Rutte, de toch meestal goedlachse leider van het Kabinet, sprong bijkans uit z’n vel. Net daarvoor had Kamerlid Renske Leijten zich kritisch uitgelaten over het ambtelijk apparaat. Dat zou medeschuldig zijn aan de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. En de carousselerende topambtenaren van de bestuursdienst én het gerucht dat oud-toeslagenman Jaap Uijlenbroek weleens gemeentesecretaris van Den Haag zou kunnen worden, belonen deze falende klerken, vond Leijten.

Het Kamerlid overtrad daarmee de ongeschreven regel dat je ambtenaren buiten het debat houdt. Politici – ministers en staatssecretarissen – zijn de verantwoordelijke voor het beleid. Ambtenaren voeren het trouw uit én kunnen zich niet in het openbaar ook verdedigen, foeterde Rutte terug. ‘Zo kun je als Kamerlid toch niet spreken Renske,’ zei Rutte terwijl hij waarschijnlijk ‘doe effe normaal’ moet hebben gedacht.

Ik snap Rutte’s boosheid wel. De distantie tussen politiek en ambtelijk apparaat is een voorwaarde van democratisch bestel. Ik noem het de kleine trias politica. De volksvertegenwoordiging stelt kaders en benoemt maatschappelijke doelstellingen, de bewindslieden vertalen het naar uitvoerbaar beleid en het ambtelijk apparaat zorgt dat het voor elkaar komt.

Je zou willen dat politici zorgvuldiger omgaan met het hoog houden van deze democratische principes. Toch lukt het vaker niet. Gemeentelijke websites blijken deze scheiding der machten zelf heel vaak met voeten te treden.

Gemeentewetjurist Olaf Schuwer kwam er één tegen. Al surfend vond hij de pagina van het college van Altena – waar de wethouders en burgemeesters aan u worden voorgesteld – en trof in die bijt een vreemde vogel. ‘Het college bestaat uit de burgemeester, vijf wethouders en de gemeentesecretaris’ stond er, terwijl die laatste er helemaal niet bij hoort. Die secretaris staat het college wel bij en adviseert ze, maar is er geen lid van en heeft dus ook geen stemrecht.

Met de omschrijving wordt de indruk gewekt dat een gemeentesecretaris bestuursverantwoordelijkheid draagt. Dat is niet zo — en hij kan er dus ook niet op worden aangesproken. Wanneer een lokale Renske Leijten het toch zou proberen weet ik zeker dat elke willekeurige burgmeester dezelfde vermanende woorden als Rutte spreekt: doe effe normaal. Maar dan ligt de fout toch echt bij degene die het zo op de website heeft gezet.

Niet alleen daarom zou de gemeentesecretaris zelf niet als collegelid gepresenteerd moeten willen worden. Meestal, misschien wel altijd, is de gemeentesecretaris ook de algemeen directeur van het ambtelijk apparaat. Dat is geen staatsrechtelijke nuance. Anders dan in de landelijke politiek is de wethouder niet het hoofd van een ambtelijke organisatie. De gemeentesecretaris is de baas van het personeel en verdeelt ook formeel de opdrachten die het college heeft uitgezet. Een scheiding der machten waar ze in ’s lands politiek nog iets van kunnen leren. En een lokale trias politica die met een correcte formulering op de website ook wel eens duidelijk mag worden gemaakt. Voordat er allerlei complotdenkers ermee aan de haal gaan en denken dat het gemeentelijk apparaat net zo politiek is als het college.

Schuwer’s vondst bleek niet uniek. Nadat ik een korte oproep deed de eigen site te controleren, kwamen vooral raadsleden tot de ontdekking dat de formulering op de webpagina van het college bot gezegd ongemeentewettelijk is. Of staat de secretaris doodleuk op de hoofdfoto tussen de echte collegeleden te wethouder-hekkingen.

Met waarschijnlijk het schaamrood op de kaken pasten meerdere gemeenten direct de gemeentelijke website aan. Ik zal de laatste zijn die beweert dat hiermee groot onrecht is gerepareerd, maar het voorkomt tenminste dat staatsrechtfetisjisten als Rutte en ik weer eens ‘doe effe normaal’ naar hun beeldscherm moeten roepen. Belangrijker is dat het nietswetende burgers ook uitlegt hoe zorgvuldig ons politieke bestel in elkaar zit. Iets waar ook de schrijver van gemeentelijke webteksten best trots op mag zijn.

De column verscheen op 22 januari 2020 in Binnenlands Bestuur.

Bijverdienen mag. De Gemeentewet staat het bewindspersonen toe naast hun werk voor de gemeente ook andere verdiensten te hebben. Om dat binnen de perken te houden – je bent immers in dienst van de raad.de gemeente en hoort daar primair je tijd te besteden – is de som van de bijverdiensten gemaximeerd tot aan ongeveer een kwart van je gemeentesalaris. Over alles daarboven moet je een deel terugbetalen.

Niet in Alphen aan den Rijn. Daar besloot de gemeenteraad dat burgemeesters en wethouder álles moeten terugbetalen. Vorig jaar bleek burgemeester Spies niet al haar neveninkomsten in de gemeentekas te storten.

Spies verdedigde zich toen door te zeggen dat ze deze regeling niet kent. Bijl snapt dat niet. ‘Ze heeft hem uitgereikt gekregen. Dan ga je hem lezen. We hebben het niet over de algemene voorwaarden van Google, waar je 300 uur mee bezig bent.’

De gemeente Alphen aan den Rijn is de enige die van een burgemeester meer afdracht vraagt dan wettelijk is geregeld. Reden te meer waarom het op zou moeten vallen, vindt Bijl. ‘Ik ben zo’n artikel nog nooit ergens tegengekomen. Maar het is zo apart, dat ik zeker weet dat iemand dat er bewust heeft ingezet.’

Daarnaast heft de burgemeester ook de taak anderen te wijzen op de gedragscode, bijvoorbeeld bij de installatie of misschien jaarlijkse gesprekken. Toch zegt Spies de inhoud van de code niet te kennen. ‘Spies zegt dat als ze in een brief naar een artikel verwijst, dat niet betekent dat ze dat artikel ook kent. Dat is uitermate onzorgvuldig.

Hoewel Bijl de Alphense regels ook ‘wel erg strak’ vindt, stelt Bijl in het AD dat Spies het bedrag terug had moeten betalen. ‘De gedragscode is een uitspraak van de gemeenteraad, daar heeft ze zich gewoon aan te houden.’

‘Raadsleden werken te weinig samen om effectief te zijn,’ concludeert Bijl. Hij bestudeerde de resultaten van de enquête en was onaangenaam verrast door het veelvuldig gebruik van de woorden ‘coalitie’ en ‘oppositie’. ‘Het stemt me verdrietig als ik lees dat veel mensen klagen over de samenwerking binnen de raad,’ zegt Bijl. ‘Die scheiding zit goede politiek vaker in de weg dan dat ze helpt.’ Het gaat ten koste van precies datgene waar vertegenwoordigende democratie voor is bedoeld: een goede deliberatie ín de raad in plaats van in de collegekamer. ‘Je zou raden liefst willen verplichten om aan het begin een goed raadsprogramma te maken.’

Verenigingsdirecteur Bouwmans is het daarmee eens. ‘Veel raadsleden spreken over de verhouding tussen oppositie en coalitie. Als dat onderscheid leidend wordt voor wat er mogelijk is, dan doe je je werk tekort, richting jezelf, de raad én de inwoners,’ zegt hij. ‘De kwaliteit [van de politiek] wordt ook bepaald door de ruimte die de meerderheid aan de minderheid wil geven. De reacties in de ED-enquête roepen daar op zijn minst wat vragen over op.’

Toch is het ook niet zo gek om te verlangen dat vormen van zware – en dus per definitie duurdere – jeugdhulp, met name met dagopvang en zeker in het zogenaamde ‘gedwongen kader’ op regionaal niveau worden georganiseerd. Het zou waanzin zijn om dat wiel door 355 gemeenten elk voor zich te laten uitvogelen. En omdat dat waanzin is, dóen ze dat ook niet. Er bestaan veel samenwerkingsverbanden tussen gemeenten om de vormen van zwaardere zorg samen met elkaar te organiseren. Dat is sinds 2015 wel zoeken geweest en laten we eerlijk zijn – een steeds krapper wordend budget zorgt op dat vlak ook voor de verkeerde prikkels. Dat de minister van VWS zich nu door een openhartige rapportage over de kwaliteit in de jeugdzorg gedwongen ziet om dit duidelijker te organiseren, is ook weer niet heel verrassend.

De zware jeugdzorg, toegang tot de arbeidsmarkt, publieke gezondheid, sommige infrastructuur – het zijn allemaal onderwerpen waarvan iedereen vindt dat ze dichterbij de burger georganiseerd moeten zijn dan provincies kunnen. Maar het zijn ook onderwerpen die te groot zijn om uitsluitend binnen gemeentegrenzen te regelen. Regionale samenwerking is dan de pragmatische oplossing. En regionale samenwerking wérkt.

Er is maar één probleem. De regio is niet democratisch. In een gemeente heeft de raad het budgetrecht want de raad is het hoogste orgaan. En de raad wordt rechtstreeks gekozen door de inwoners. De regio is zogenaamd ‘verlengd lokaal bestuur’. Er gaat belastinggeld naartoe, veel belastinggeld zelfs, maar we kiezen er geen volksvertegenwoordigers voor die over de besteding van dit geld gaan. Zo zijn er de GGD-regio’s, de arbeidsmarktregio’s, de stadsregio’s. En talloze andere vormen van gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Al die regio’s worden bestuurd door wethouders die in hun eigen, lokale gemeenteraad verantwoording afleggen over het bestede geld. De samenwerkingsverbanden hebben een algemeen bestuur waar dan soms ook raadsleden uit de samenwerkende gemeenten zitting in nemen. Dat zijn er dan altijd hooguit een paar per gemeente.

De regionale samenwerking is er en gaat ook niet meer weg. Omdat ze wérkt. Nu bestaat het Huis van Thorbecke volgens staatsrechtkenners uit drie verdiepingen. Het rijk, de provincies en de gemeenten. Zo is dat vastgelegd in de grondwet en zo is het al honderdvijftig jaar goed. Iets anders suggereren is al snel staatsrechtelijk taboe. En de regio dan? De regio is als het ware een entresol in het Huis van Thorbecke – een halve tussenetage. Er wordt gewerkt, met belastinggeld. En we worstelen al tientallen jaren met de vraag hoe we ‘het democratisch gehalte van de regio’ kunnen vergroten. Elk kabinet laat daar zijn eigen wijziging van het stelsel op los. Ook dit kabinet weer. Maar het échte probleem lossen we niet op, omdat we zelfs maar weigeren na te denken over hoe we de regio kunnen erkennen als volwaardige bestuurslaag. Als echte verdieping in het Huis van Thorbecke. De bewoners zien haar, gebruiken haar veelvuldig, maar ze ‘kan niet bestaans want zo hebben we het nooit gedaan’. Want de Keizer. Heeft. Kleren. Aan. Toch?

Michiel van der Eng is senior trainer en specialist gemeentefinanciën bij het Periklesinstituut. Maandelijks schrijft hij de column #hetgaatnietovergeld voor Binnenlands Bestuur. Deze column verscheen daar op 29 november 2020.

Sinds de laatste verkiezingen zijn er meer wethouders in deeltijd gaan werken. Meestal om daarmee het aantal formatieplaatsen in het college uit te breiden. ‘Fracties willen dan allemaal een wethouder of een gedeputeerde leveren,’ legt Bijl uit. Soms betekent dat meer mensen dan maximaal is toegestaan. En door parttime-aanstellingen te nemen, kan het aantal personen worden uitgebreid. ‘Maar zo is niet de intentie van de regeling,’ zegt Bijl.

Het wordt erger. Wanneer de nieuwe parttime-wethouder éérst in voltijd werkte, wordt zijn salaris aangevuld met het wachtgeld. ‘Dat is oneigenlijk gebruik van de regeling.’

Het zit in de gemeente Bergransel muurvast. Gedwongen door de tekortkomingen op het sociaal domein moet de gemeente miljoenen aan bezuinigingen weg zien te werken. En nu de kaasschaaf bot is geworden móet er iemands paradepaardje sneuvelen. Het liefst, zo zegt een raadslid op Twitter, zou hij nieuwe verkiezingen uitschrijven en de burger een uitspraak laten doen over hoe deze bezuinigingsronde moet worden verwerkt.

Het raadslid uit Bergransel wordt door de Kamer op z’n wenken bediend. Vandaag stelde het parlement in met een motie die het Kabinet de opdracht geeft te een voorstel te doen voor een grondswetswijziging die tussentijdse gemeentelijke verkiezingen mogelijk moet maken.

Op het Binnenhof kennen ze die optie immers wél. Als de kabinetsleden er met de Kamer of met elkaar niet uitkomen, wordt de Kamer ontbonden en schrijft de regering nieuwe verkiezingen uit. Ook die optie heb ik nooit begrepen. Inhoudelijke problemen komen vaker voor in de politiek. Sterker, meningsverschillen zijn het primaat van de democratie. Immers, als we in dit land niet zo vaak van mening zouden verschillen over welke oplossing de beste is, hadden we zoiets als democratie helemaal niet nodig.

Gemeenteraden kennen een tussentijdse gang naar de stembus niet. Ze zijn met hun mandaat gedwongen om er voor vier jaar samen uit te komen. Logisch. Het is juist de opdracht van politici om die meningsverschillen, hoe principieel ze ook mogen zijn, te overbruggen en met consensus, concessie of als het écht niet anders kan met compromissen werkbaar te maken. Zelfs doorgaan met conflict is een optie; immers niet elk voorstel hoeft met unanieme stemmen door het parlement te gaan; dat er op z’n minst één iemand tegenstemt is een meer dan reële optie.

Waarom zouden er dan ineens problemen zijn die als onoverbrugbaar beschouwd moeten worden? Teruggaan naar de kiezer is niets anders dan de parlementaire democratie opgeven. En zeggen dat je als parlement hebt gefaald en niet geschikt bent voor het werk als parlementariër. De optie dat nieuwe verkiezen alleen mogelijk mogen zijn wanneer geen van de zittende Kamerleden na een nieuwe kiezersuitspraak terug mag komen, is zo gek nog niet.

Daarnaast heeft een nieuwe kiezersuitspraak zelden tot nieuwe politieke stabiliteit geleid. Laten we het beëindigen van Paars II – waar de regering verantwoordelijkheid nam voor het falen in Srebrenica – even voor wat het is, staat het vallen van het Kabinet Balkenende I bij.

Met de volstrekt disfunctionerende LPF-fractie viel inderdaad niet te regeren, maar laten we nou niet doen alsof er na die verkiezingen een politiek stabiele periode is ontstaan. Na het falen van Balkende I in 2003 duurde het ruim tien jaar voordat er weer een kabinet de hele rit uit zat. Sterker, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat men in het tweede kabinet Balkenende het liefst twee jaar later óók al de stekker er uit had getrokken maar terecht bang was voor extra politieke instabiliteit. Pas toen het tweede kabinet Rutte na een paar keer een meerderheid te hebben verloren over zijn schaduw heen stapte en een níet de stembusgang maakte, trad de relatieve politieke stabiliteit van nu weer toe.

Had de politiek niet beter afgeweest als CDA en VVD na het opzeggen van de samenwerking met LPF ook toen met een herformatie hadden moeten beginnen? Wellicht had het een stabieler want immers voorzichtiger kabinet opgeleverd dan alleen met D66 na de verkiezingen van 2003. Sterker, ik meen dat bij de gevallen kabinetten van de periode 2003 tot 2012 elke combinatie van vóór nieuwe verkiezingen interessanter was geweest dan die van erna.

Juist de dwang om er met elkaar uit te komen, hoort bij de parlementaire democratie. Het als is een stok achter de deur een zekering voor goed democratisch overleg. Een Kamer, of gemeenteraad, die vaker de kiezer kan vragen zijn uitspraak te herzien, vraagt ook nooit het vertrouwen dat ze deze kiezer goed kunnen vertegenwoordigen.

En wat de gemeenteraad van Bergransel betreft: ik vraag me af of de raad ook daar met nieuwe verkiezingen is geholpen. Niet alleen omdat deze pas ver na de deadline voor de nieuwe begroting kunnen worden georganiseerd — en de gemeente tot die tijd op slot zit. Ook niet omdat nieuwe verkiezingen waarschijnlijk niet zoveel aan de raadssamenstelling zal veranderen; mensen vinden immers wat ze vinden.

Maar ook niet omdat nieuwe verkiezingen niet slechts alleen maar over deze begrotingsperikelen gaan. Ze gaan ook over zaken die niet tot het begrotingsconflict behoren. Speeltuinen of verkeerscirculaties. Tegenprestaties voor uitkeringsgerechtigden of het imago van de lokale overheid. En over de poppetjes, want verkiezingen gaan nog steeds over mensen.

Als de raad van Bergransel écht de burger wil betrekken bij dit dilemma, zou een referendum beter passen. Gemeentelijk heeft men die optie. En misschien moet men in Den Haag ook eerst maar eens voor de landelijke politiek die omissie aanpakken, in plaats het de lokale democratie weer eens een stukje moeilijker te maken.

Dit artikel verscheen op 6 november 2019 in Binnenlands Bestuur.