Minderheidscoalitie vraagt volwassen raad

Door het vertrek van Remon van Bree naar een oppositiepartij beschikt de coalitie nog over 18 van de 37 zetels. Formeel is zij daarmee in de minderheid. In de praktijk blijft besluitvorming mogelijk doordat enkele raadsleden structureel afwezig zijn, maar die kwetsbare balans onderstreept hoe afhankelijk het bestuur is geworden van incidentele omstandigheden.

Minderheid als politieke realiteit

Volgens Bijl is het verlies van een meerderheid op zichzelf niet het grootste probleem. ‘Een minderheidspositie dwingt partijen om elk voorstel inhoudelijk te onderbouwen en steun te organiseren,’ zegt hij tegen het AD. Daarmee wordt zichtbaar waar politiek om zou moeten draaien: overtuigen in plaats van tellen.

Tegelijkertijd laat de situatie zien hoe fragiel lokale coalities kunnen zijn wanneer partijen vooral verkiezingsvehikels zijn. Bijl pleit er daarom voor dat politieke partijen zich steviger organiseren. ‘Dan weet je meer wat voor vlees je in de kuip hebt, als je iemand op de lijst zet,’ zegt hij in het AD. Vereniging zijn betekent investeren in selectie, debat en onderlinge binding — en dus ook in bestuurlijke stabiliteit.

Historisch perspectief

Nissewaard staat daarin niet alleen. Ook in Spijkenisse, een van de voorgangers van de huidige gemeente, kende de raad eerder een minderheidsconstructie. In 1986 bestuurde de PvdA daar zonder formele coalitiepartners, met wisselende gedoogsteun. Dat laat zien dat minderheidsbestuur geen nieuw fenomeen is, maar telkens opnieuw vraagt om politieke volwassenheid.

Meer dan rekenen

De huidige situatie maakt duidelijk dat een raadsmeerderheid geen natuurgegeven is. Zetelverhoudingen kunnen verschuiven, fracties kunnen splijten en politieke verhoudingen veranderen. De vraag is dan niet alleen of een coalitie kan overleven, maar of de raad als geheel in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor besluitvorming.

Een minderheidscoalitie legt dat scherp bloot. Niet de machtspositie, maar het functioneren van partijen, raadsleden en debatcultuur wordt doorslaggevend. Dat maakt zulke situaties spannend — en tegelijk leerzaam voor iedereen die lokale democratie serieus neemt.

De discussie over wethouders die zich tegelijkertijd profileren als lijsttrekker krijgt een vervolg. Na een recente column op Wat is democratie waarin John Bijl de spanning tussen bestuur en campagne analyseerde, zijn in de Hoeksche Waard raadsvragen gesteld. In het Algemeen Dagblad licht Bijl zijn standpunt verder toe.

Volgens Bijl botsen de functies principieel. ‘Een wethouder bestuurt de stad en spreekt namens het college, dat met één mond hoort te spreken. Een lijsttrekker daarentegen benadrukt juist de verschillen en voert campagne voor de partij. Die twee rollen botsen.’

Hoewel de wet deze combinatie toestaat, wijst hij op het risico voor het dualisme: de scheiding tussen het controlerende werk van de raad en het uitvoerende werk van het college. In verkiezingstijd wordt die spanning zichtbaarder. ‘Je wilt een lijsttrekker die vrijuit kan zeggen: “Dit is waar wij als partij voor staan.” Maar een wethouder moet compromissen sluiten. Die spanning is onvermijdelijk.’

Bijl pleit daarom voor een structurele oplossing. ‘Maak het onmogelijk dat een raadslid na zijn verkiezing nog wethouder wordt.’ Daarmee worden partijen gedwongen helder te kiezen: wie staat op de lijst om te vertegenwoordigen, en wie bestuurt?

De discussie overstijgt de Hoeksche Waard. Zij raakt aan de kern van representatieve democratie: transparantie, rolzuiverheid en de betekenis van een kandidatenlijst. ‘Een kieslijst is geen vacaturesite voor het wethouderschap. Het is een lijst van mensen die zeggen: ik wil u vertegenwoordigen. Wie zich daarop laat zetten zónder die ambitie, bedriegt de kiezer, zichzelf en de democratie.’

In gemeenten kan maatschappelijke spanning snel politiek worden. Zeker wanneer religie, identiteit en ruimtelijke ordening samenkomen. Dan ontstaat druk op bestuurders om ‘de achterban te volgen’.

De Volkskrant publiceert deze week een uitvoerige reportage over het conflict tussen het Islamitisch Centrum Barendrecht en het gemeentebestuur. De casus laat volgens John Bijl zien hoe kwetsbaar de verhouding kan worden tussen politieke druk en juridische zorgvuldigheid. ‘In een democratie zijn politici niet alleen spreekbuizen van hun achterban, maar hebben zij ook de taak om de belangen van minderheden te beschermen’, zegt hij in de krant.

Juist in dit soort dossiers worden de rechtsstatelijke beschermingsmechanismen zichtbaar: onafhankelijke rechters, bezwaarprocedures en het overgangsrecht. Dat zijn geen formaliteiten, maar waarborgen van behoorlijk bestuur.

Democratie is meer dan meerderheidsmacht. De kwestie in Barendrecht raakt aan kernvragen van lokaal bestuur: hoe bewaak je betrouwbaarheid als overheid in een gepolariseerde omgeving? En welke verantwoordelijkheid draagt het college wanneer maatschappelijke spanningen oplopen? Bestuurders hebben niet alleen een representatieve taak, maar ook een rechtsstatelijke verantwoordelijkheid.

De samenstelling van de VVD-kandidatenlijst leidt tot discussie nadat raadslid Annemarie van Nieuwamerongen niet is teruggekeerd op de lijst. Zij stelt dat haar is gevraagd alleen als lijstduwer mee te doen, onder de voorwaarde dat zij geen campagne zou voeren en een eventuele verkiezing niet zou accepteren.

In het bericht wordt ook John Bijl geciteerd over de juridische houdbaarheid van zo’n afspraak. Volgens hem staat een dergelijke voorwaarde op gespannen voet met het vrije mandaat. Hij verwijst naar artikel 27 van de Gemeentewet: wie met voldoende voorkeurstemmen wordt gekozen, kan worden geïnstalleerd. ‘Je kunt beloven wat je wil, maar handhaafbaar is het niet.’

Bijl benadrukt dat een zetel uiteindelijk niet van een partijbestuur is, maar van de kiezer. ‘Zodra de kiezer via voorkeurstemmen een kandidaat heeft gekozen, is de interne partijbelofte juridisch en politiek tandeloos en in strijd met het vrije mandaat van de gekozene.’

De kwestie raakt aan een principieel punt in het lokale staatsrecht: kandidatenlijsten zijn geen interne rangorde alleen, maar een publiek aanbod aan de kiezer. Wie daarop staat, moet bereid zijn het mandaat te aanvaarden.

Het besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk — mogelijk zelfs de opheffing ervan — wordt opnieuw uitgesteld. Zowel de provincie Noord-Brabant als het Rijk geven onverwacht aan pas in juni een richting te kunnen bepalen, tot grote ergernis van inwoners en bestuurders. De gang van zaken roept de vraag op of er wel voldoende afstemming was voordat het college op 11 november het voornemen presenteerde aan ruim 1100 inwoners.

Volgens Omroep Brabant waren provincie en Rijk wel op de hoogte van de aankondiging, maar niet overtuigd van de timing. De provincie laat weten dat zij “nog niet zover was om een ontwikkelrichting te kiezen”. De betrokken ministeries willen zelfs niet bevestigen of zij het voornemen van het college steunden: ‘Hier houden we het even bij op dit moment.’

Bestuurskundige John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, noemt het onwaarschijnlijk dat het college zonder ruggespraak met hogere overheden zo’n ingrijpende stap zou hebben aangekondigd. ‘Ik kan me niet voorstellen dat het college dit voorstelde zonder de voorkennis dat de rest mee zou gaan. Dat zou dom zijn.’

Ook het idee dat Moerdijk het Rijk en de provincie bewust voor het blok wilde zetten, acht hij niet geloofwaardig. ‘Dat lijkt me ook niet waarschijnlijk.’

Er blijft dan een andere mogelijkheid over: dat er aanvankelijk wél steun was, maar dat provincie of Rijk van positie zijn veranderd. Volgens Bijl is dat bestuurlijk laakbaar: ‘Heel onbehoorlijk. Dan is nu de gemeente ineens de gebeten hond.’

De waarderende woorden van minister Hermans tijdens haar persmoment — zij noemde het besluit van Moerdijk ‘moedig’ — krijgen daarmee een andere lading. Bijl: ‘Moedig dat u de hete kolen voor ons uit het vuur haalt, ja. Zonder handschoenen.’

Over de berichtgeving rondom het raadsbesluit over Moerdijk schreef John Bijl deze column:

De politieke ophef over de overstap van oud-wethouder Lot van Hooijdonk naar HVC bewijst opnieuw hoe ingewikkeld het is voor oud-politici om een nieuwe baan te vinden zonder dat er een verdenking omheen hangt. Bestuurskundige John Bijl ziet een bekend patroon: ‘Oud-politici kunnen het bijna nooit goed doen. Ga je ergens in het publieke domein werken, dan is het vanwege vriendjespolitiek. Doe je het niet, dan ben je een wachtgeldtrekker. Het imago van de “baantjescarrousel” hangt er altijd omheen.’

Bijl wijst erop dat publieke organisaties juist veel baat hebben bij mensen met bestuurlijke ervaring. ‘Zo’n bedrijf haalt iemand binnen die competent is, die weet waar ze over praat, die het werkveld kent. Ga je dan in de supermarkt staan met die competentie?’ Tegelijkertijd ziet hij dat de arbeidsmarkt voor oud-politici bepaald geen vetpot is: ‘Kijk naar de vele oud-Kamerleden die maar niet aan het werk komen.’

Een gevoelige overstap, zorgvuldig voorbereid

In Utrecht gaat de discussie ondertussen vooral over de schijn van belangenverstrengeling. Van Hooijdonk was als wethouder betrokken bij het onderzoek naar drie opties voor de aanleg van warmtenetten, waaronder samenwerking met HVC. Pas nadat ze vrijwillig opstapte, kozen college en raad voor het bedrijf.

Daardoor wringt haar overstap: raakt haar nieuwe functie aan haar oude portefeuille? Volt-raadslid Ruud Maas noemt de situatie ‘hoogst ongemakkelijk’. De nieuwe – nog niet vastgestelde – gedragscode voor Utrecht stelt immers dat oud-bestuurders twee jaar geen betaalde functies mogen aannemen die direct raken aan hun voormalige portefeuille.

Van Hooijdonk benadrukt dat ze juist alle stappen heeft gezet om discussie te voorkomen. ‘Ik heb geprobeerd niet over één nacht ijs te gaan en ervoor te zorgen dat het deugt’, zegt ze. Juristen en integriteitsspecialisten bevestigden volgens haar dat de functie kan: ze krijgt geen doorslaggevende zeggenschap, werkt vooral met aandeelhouders en internationale partners, en heeft expliciet afgesproken geen Utrechtse dossiers aan te raken.

Volgens Bijl verdient dat onderscheid aandacht. Zorgvuldigheid en beperkingen in de werkzaamheden zijn belangrijk. ‘Tuurlijk moet je op je qui vive zijn, maar als er een goed antwoord op komt, gun je iemand het voordeel van de twijfel. Want wat wil je anders dat oud-bestuurders doen? Of ze gaan aan de slag, of ze blijven thuis zitten met wachtgeld. Als ze hun expertise inzetten zonder belangenverstrengeling, is dat helemaal in de haak.’

De bredere vraag: hoe beoordelen we overstappen?

De casus-Van Hooijdonk laat zien hoe kwetsbaar de overgang van bestuur naar arbeidsmarkt is. Gemeenten scherpen gedragscodes aan, publieke functies staan onder een vergrootglas en de grens tussen ‘ervaring benutten’ en ‘risico op schijn’ blijft dun.

De vraag is dus niet alleen of deze overstap mag, maar vooral: wanneer is een overstap écht een integriteitsrisico – en wanneer is het vooral wantrouwen?

De situatie in Alphen aan den Rijn – waar nu twee VVD-fracties naast elkaar in de raad zitten – laat volgens bestuurskundige John Bijl zien hoe snel politieke stijlverschillen kunnen uitgroeien tot bestuurlijke instabiliteit. ‘Het draait heel erg om de stijl van politiek bedrijven. Als mensen elkaar niet meer begrijpen in hoe ze in de wedstrijd zitten, wordt het lastig.’

Die observatie raakt aan een bredere staatsrechtelijke werkelijkheid: raadsfracties bestaan niet bij de gratie van partijafspraken, maar bij de manier waarop individuele raadsleden hun mandaat uitoefenen. Afsplitsingen zijn daarom geen systeemfout, maar een signaal dat onderlinge verhoudingen zijn vastgelopen.

Afsplitsingen horen bij het systeem

Landelijke cijfers bevestigen dat beeld. In bijna de helft van de gemeenteraden ontstaan tijdens een raadsperiode nieuwe fracties. Niet door grote inhoudelijke breuken, maar vaak door onderlinge spanningen, politieke stijlverschillen en profilering richting de verkiezingen.

Juist daarom noemt de commissaris van de koning het ‘zorgelijk’ wanneer spanningen de inhoud overschaduwen: het vertrouwen van inwoners raakt dan direct aan het functioneren van het hoogste bestuursorgaan van de gemeente.

Soms is scheiding beter dan strijd

Bijl ziet in de Alphense situatie ook een pragmatischer les. ‘Een fractie die van binnenuit is vastgelopen, werkt niet. Als twee groepen elkaar belemmeren, kan verdergaan in aparte fracties misschien wel de beste oplossing zijn.’

Want uiteindelijk is niet de partijlijn bepalend, maar of de raad als geheel zijn werk kan doen. En precies dat raakt onder druk wanneer stijlverschillen sterker worden dan het debat zelf.

De beelden uit de recente NOS-uitzendingen laten een ontwikkeling zien die veel breder reikt dan Terneuzen alleen: raadsleden, wethouders en burgemeesters ervaren steeds vaker dreiging en intimidatie rondom besluiten over asielzoekerscentra. Het is een patroon dat volgens bestuurders de normale democratische verhoudingen onder druk zet.

In verschillende gemeenten worden raadsleden inmiddels beveiligd tijdens vergaderingen, of vinden beraadslagingen achter gesloten deuren plaats. In Doetinchem werden vuurwerk en eieren naar het gemeentehuis gegooid, in Hoorn stonden demonstranten met fakkels voor de deur, en in Venlo spreken bestuurders openlijk over bedreigingen.

Volgens John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, voelen veel raadsleden de gevolgen daarvan in hun dagelijkse werk:
‘Ik spreek geregeld raadsleden die zeggen: ik durf niet alles meer te zeggen wat ik zou willen zeggen.’ 

Ook in Terneuzen speelde die druk een grote rol. Dat een raadslid in de raadszaal verklaarde niet te durven stemmen, is volgens Bijl geen losstaand incident maar een signaal van een bredere verschuiving. ‘Dat raadsleden niet meer in vrijheid hun stem kunnen uitbrengen omdat ze zich onder druk voelen staan: dan zetten we echt onze democratische rechtsorde op het spel.’

Provinciale bestuurders trekken intussen openlijk aan de bel. In Limburg noemt gouverneur Emile Roemer het “schandalig” dat lokale politici beveiliging nodig hebben. Ook CdK Hugo de Jonge zegt signalen te hebben dat raadsleden onder druk worden gezet en dat dit nadrukkelijk moet worden onderzocht.

Een terugkerend element in de uitzendingen is het verwijt dat gemeenten weinig ruggensteun voelen vanuit Den Haag. Lokale bestuurders moeten de spreidingswet uitvoeren, terwijl landelijke politici regelmatig suggereren dat die wet kan worden ingetrokken of genegeerd. Daardoor stijgt de maatschappelijke druk juist verder, zeggen betrokkenen.

Bijl sluit zich daarbij aan: ‘Het kabinet laat maar weinig van zich horen om het op te nemen voor gemeenten.’ En: ‘Ik had het logisch gevonden als ministers deze week nog hadden gezegd dat de spreidingswet ook in Terneuzen gewoon moet worden uitgevoerd.’

De combinatie van juridisch verplichte besluitvorming, felle lokale emoties en landelijke onduidelijkheid leidt volgens deskundigen tot een kwetsbare situatie. Gemeenteraden stellen besluiten uit, raadsleden ervaren druk op hun persoonlijke veiligheid en bestuurders waarschuwen voor een sluipende normverschuiving.

De vraag die boven de recente ontwikkelingen hangt, is dan ook breder dan één gemeente of één besluit: hoe zorgen we ervoor dat lokale politici hun werk kunnen doen in vrijheid, onderbouwd, en zonder angst? Bijl is daar duidelijk over: ‘We moeten als samenleving iedere dag blijven bevestigen dat intimidatie onacceptabel is. En daar hebben we het Rijk hard bij nodig.’

De gemeente Terneuzen is deze week in een politieke crisis beland na het onverwachte vertrek van burgemeester Erik van Merrienboer. Hij legt zijn functie neer omdat hij geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking met de gemeenteraad rondom de besluitvorming over een asielzoekerscentrum. Het besluit van de burgemeester zorgt voor beroering in de Zeeuwse gemeente en trekt nationaal de aandacht.

Het conflict draait om de vergunning voor een opvanglocatie voor maximaal tweehonderd asielzoekers. Waar de raad vorig jaar nog instemde met het plan, keerde onlangs een meerderheid zich onder maatschappelijke druk tegen de komst van het azc. In een brief aan de gemeenteraad suggereerde Van Merrienboer dat niet alle raadsleden hun stem ‘zonder last’ hebben kunnen uitbrengen. 

Die passage raakt aan een norm die in het lokaal bestuur geldt als onaantastbaar, zegt John Bijl van het Periklesinstituut. Hij noemt het vertrek van de burgemeester bijzonder: ‘Dit is echt uitzonderlijk, zegt hij tegen Omroep Zeeland. ‘Ik word er een beetje knorrig van.’ Volgens hem verandert het ontslag weinig aan de feitelijke opgave: ‘Je hebt gewoon de spreidingswet uit te voeren. Ook een waarnemend burgemeester krijgt dezelfde wet op zijn bord.’ 

De spanning liep verder op toen CDA-raadslid Rolf Mobach in een openbare vergadering verklaarde niet te durven stemmen vanwege de druk die hij voelde op zichzelf en zijn omgeving. Hij verliet de zaal voordat de stemming begon. 

Dat raadsleden hun stem niet meer durven uit te brengen, is volgens Bijl een ernstige waarschuwing: ‘Dat ondermijnt onze democratie,’ zegt Bijl tegen NOS. ‘Raadsleden horen zonder last te stemmen.’ 

Ook stelt hij dat de burgemeester had moeten ingrijpen toen een raadslid openlijk aangaf zich niet veilig te voelen: ‘Op het moment dat een raadslid aangeeft dat hij zijn stem niet durft uit te brengen, moet je als burgemeester de vergadering schorsen.’ 

De zorgen worden gedeeld door commissaris van de Koning Hugo de Jonge, die met de fractievoorzitters in gesprek gaat. Hij noemt het onacceptabel als raadsleden zich belemmerd voelen bij het stemmen: ‘Als zij zich kennelijk onder druk gezet hebben gevoeld, is de democratie in het geding.’ 

Wat precies heeft geleid tot deze bestuurlijke breuk, blijft onderwerp van gesprek. Bijl ziet in ieder geval een optelsom van spanningen: ‘Niemand stapt op vanwege één incident. Dit is een breuk waar emotie meespeelt.’ 

Over de positie van de burgemeester schreef John Bijl deze column.

 

Hoeveel luxe mag een bestuurder zichzelf veroorloven op kosten van de belastingbetaler? Die vraag hangt in De Bilt nadrukkelijk boven tafel sinds drie wethouders, de burgemeester en een hoge ambtenaar afgelopen zomer twee nachten verbleven in een Eindhovens designhotel tijdens het VNG-congres. De eindafrekening liep op tot 4.400 euro. Voor het college werd zelfs de Penthouse Loft van 650 euro per nacht geboekt – een keuze die in de lokale politiek en daarbuiten flink wat wenkbrauwen doet fronsen.

Bestuurskundige John Bijl vindt één ding helder: er zijn grenzen, maar bestuurders hebben ook ruimte nodig om hun werk goed te doen. ‘Voor het openbaar bestuur geldt al decennia de norm om geen luxe artikelen aan te schaffen’, stelt hij. ‘De tijd waarin de burgemeester aan zijn bode vroeg om een fles whisky te kopen met de pinpas van de gemeente, ligt al zo’n twintig tot dertig jaar achter ons.’

Ruimte of rem? Bestuurders kiezen zelf

Opvallend genoeg bestaan er geen landelijke of lokale maxima voor hotelovernachtingen. Bestuurders bepalen zelf wat redelijk is. ‘Daar heb je een mooi woord voor: discretionaire bevoegdheid,’ zegt Bijl. ‘Het gaat wat ver om iedereen op voorhand onder curatele te stellen. Bovendien gaan mensen vaak net onder de grens zitten als je wél een maximumbedrag instelt. Dat is psychologisch.’

Die discretionaire ruimte heeft ook een keerzijde. Als regels niet alles dichttimmeren, komt de politieke beoordeling des te scherper op het bord van de raad te liggen. Zeker wanneer de interpretatie ruimte laat tussen ‘een hamburger bij McDonalds’ of ‘een diner in een sterrenrestaurant’. Toch waarschuwt Bijl voor doorschieten: ‘Ik zou het een verlies vinden als gemeenten dit soort zaken tot achter de komma gaan regelen.’

Waarom een penthouse?

Dat betekent wel dat verantwoording cruciaal is. En precies daar blijft het college volgens Bijl achter. ‘Ik vind dat het college een duidelijke verantwoording moet geven voor de hoogte van het bedrag. Want voor 4.400 euro kun je ook twee weken in Frankrijk zitten. De andere kant is dat het college een werkplek nodig had. In dat geval is het huren van een ruimte beter dan vergaderen in de trein, wat volgens de Gemeentewet niet eens mag. Maar waarom dat penthouse van 650 euro is geboekt, snap ik niet.’

De kwestie leidde tot tientallen verontwaardigde reacties. Intussen blijkt dat De Bilt voor het VNG-congres van 2026 van koers is veranderd: de gemeente laat een hotel boeken ‘zo goedkoop mogelijk’, zelfs als dat betekent dat het bestuur moet uitwijken naar een Duitse accommodatie op afstand van de congreslocatie.

Waar ligt de grens?

Het debat in De Bilt laat zien dat politieke moraal niet kan worden afgerekend in euro’s alleen. Het gaat om publieke verantwoording, zichtbare soberheid en het besef dat vertrouwen sneller slijt dan een hotelrekening kan worden betaald. Tegelijk blijft zelfbeheersing een wezenlijk onderdeel van ambtelijk en bestuurlijk handelen. Bestuurders moeten immers ruimte houden voor het juiste oordeel, ook als het gaat om praktische congressen en lange dagen.

De vraag die blijft hangen: als de politiek zelf de grens moet trekken, doet De Bilt dat dan zichtbaar genoeg? De hotelbonnetjes van Eindhoven suggereren dat hier nog winst te boeken valt.