Afsplitsing in Capelle is meer dan een lijstkwestie

Vier van de twaalf raadsleden van Leefbaar Capelle gaan verder onder de naam Echt Voor Capelle. In het AD duidt John Bijl de politieke betekenis van deze afsplitsing.

Hoewel de vertrekkende raadsleden niet hoog op de kandidatenlijst stonden, noemt Bijl het vertrek van een derde van de fractie geen detail. ‘Als een derde van je raadsleden opstapt, dan is dat een forse aderlating. Zoiets heet gezichtsverlies.’

Meer dan een lijst

De directe aanleiding ligt volgens betrokkenen in onvrede over de kandidatenlijst en de interne besluitvorming. Maar onder de oppervlakte spelen bredere factoren mee. Leefbaar Capelle regeert al twintig jaar mee in de gemeente. Langdurige deelname aan het bestuur verandert een partij.

Bestuurspartijen lopen het risico te institutionaliseren: de energie verschuift van actie naar beheer. Nieuwe initiatieven en interne discussies kunnen dan sneller schuren. De roep om ‘aanraakpolitiek’ – het zichtbaar aanwezig zijn in wijken en buurten – laat zien dat representatie niet alleen gaat over standpunten, maar ook over stijl en nabijheid.

Het verlies van een boegbeeld

De in november overleden Ans Hartnagel was jarenlang het gezicht van Leefbaar Capelle. Volgens Bijl is het voorstelbaar dat haar overlijden doorwerkt in de interne verhoudingen. ‘Ik kan me voorstellen dat ze het met lede ogen zou hebben aangezien.’

Maar hij benadrukt dat politiek uiteindelijk toekomstgericht is. ‘Het is natuurlijk triest dat Ans Hartnagel is overleden. Maar politiek bedrijf je voor de toekomst, niet uit hang naar het verleden.’

Vooruitkijken

Afsplitsingen in verkiezingstijd komen vaker voor, zeker wanneer partijen sterk met personen zijn verbonden of wanneer interne verhoudingen onder druk staan. Ze veranderen de zetelverdeling, maar vooral ook het politieke verhaal.

Voor Capelle aan den IJssel ligt de vraag nu minder bij wat er misging, en meer bij wat kiezers op 18 maart willen ondersteunen: continuïteit, vernieuwing of een combinatie van beide.

Een video uit een commissievergadering van de gemeenteraad van Castricum, gehouden in september, krijgt maanden later brede aandacht op sociale media. In het fragment is te zien hoe een raadslid tijdens een interruptie herhaaldelijk wordt onderbroken door de voorzitter, die met een hoorbaar signaal ingrijpt omdat volgens haar de vergaderorde wordt overschreden. Het fragment wordt inmiddels tienduizenden keren bekeken, onder meer nadat het is gedeeld op Dumpert.

Het debat waarin het moment plaatsvindt, gaat over de veiligheid van vrouwen in de gemeente. Tijdens een bijdrage van een raadslid probeert een ander raadslid te interrumperen. Volgens de voorzitter gebeurt dat niet door het stellen van een vraag, maar door het houden van een betoog, waarna zij meerdere malen ingrijpt.

Naar aanleiding van de virale verspreiding van het fragment vroeg het Noord-Hollands Dagblad John Bijl, bestuurskundige en directeur van het Periklesinstituut, om een toelichting op de gang van zaken in de vergadering en de toepassing van de vergaderregels. Zijn reactie is daarmee nadrukkelijk een procedurele duiding van het fragment, en geen inhoudelijk oordeel over het debat zelf.

Volgens Bijl is het onderscheid tussen een interruptie en een inhoudelijke bijdrage van belang voor het verloop van een vergadering. ‘Bij een interruptie mag je alleen een korte, verduidelijkende vraag stellen. Het is niet de bedoeling dat je dan een volledig betoog houdt’, zegt hij in het Noord-Hollands Dagblad. ‘Als iedereen dat wel zou doen, wordt het debat onoverzichtelijk en is het voor de raad lastig om tot besluitvorming te komen.’

De rol van de voorzitter

Het ingrijpen van een voorzitter is in zo’n geval bedoeld om de orde van de vergadering te bewaken. Dat gebeurt volgens Bijl niet op inhoudelijke gronden, maar op basis van de afgesproken procedure. ‘Raadsvergaderingen zijn er niet voor vertier. Ze zijn bedoeld om de gemeente te besturen’, aldus Bijl in de krant.

Daarbij merkt hij op dat het bewaken van de orde ook vraagt om rust en uitleg. Wanneer de spanning oploopt, ligt het volgens hem op de weg van de voorzitter om de temperatuur in de zaal te verlagen.

Van raadszaal naar publiek podium

Hoewel de vergadering al maanden geleden plaatsvond, krijgt het fragment pas recent brede aandacht. Behalve op sociale media wordt het ook besproken in televisieprogramma’s, waaronder De Oranjewinter. Diverse publieke figuren reageren op het fragment, onder wie Caroline van der Plas en Wierd Duk.

Door de losse verspreiding van het fragment wordt het moment vooral bekeken als een op zichzelf staand incident, los van de bredere vergadercontext waarin het plaatsvond. Volgens Bijl laat het Castricumse incident vooral zien hoe een procedureel moment uit een raadsvergadering, wanneer het los wordt gedeeld, een eigen publieke dynamiek kan krijgen. De duiding in het Noord-Hollands Dagblad plaatst dat moment nadrukkelijk terug in de context van vergaderregels en rolvastheid. Daarmee raakt de discussie niet alleen aan individuele raadsleden, maar ook aan de vraag hoe lokale democratische besluitvorming functioneert in een tijd van brede publieke aandacht.

Veel inwoners realiseren zich niet hoeveel groenbeleid daadwerkelijk lokaal wordt bepaald. Van de boom in de straat tot het park om de hoek: het zijn gemeentelijke keuzes. Toch is het voor raadsleden vaak lastig om dat belang scherp op tafel te krijgen. Bijl wijst daarbij op wat hij de ‘vloek van waarde’ noemt. ‘Je kunt uitleggen waarom iets van waarde is voor jouzelf, maar je moet ook iemand meekrijgen in waarom het voor hén van waarde is.’ Dat maakt groenbeleid politiek kwetsbaar, zeker wanneer andere problemen zich opdringen. ‘Hoe leg je uit dat groen belangrijk is, als iemand vooral bezig is met het vinden van een betaalbare woning?’

Daar komt bij dat groenbeleid in veel gemeenten financieel onder druk staat. Sinds de decentralisaties hebben gemeenten meer taken gekregen, zonder dat daar altijd voldoende middelen tegenover staan. Het geld dat via het gemeentefonds binnenkomt, heeft geen vaste bestemming. Gemeenten moeten zelf prioriteiten stellen, en groen is daarbij vaak de sluitpost. ‘En dan kom je opnieuw uit bij die vloek van waarde’, aldus Bijl. Wat niet direct als urgent wordt gezien, verdwijnt snel naar de achtergrond.

Toch zijn er ook gemeenten die bewust investeren in groen. Soms vanwege hun ligging, soms vanuit expliciet beleid. Steeds vaker spelen daarbij inzichten uit onderzoek een rol, bijvoorbeeld over hittestress, luchtkwaliteit of gezondheid. Groen wordt dan niet alleen gezien als kostenpost, maar als randvoorwaarde voor een leefbare stad.

De spanning tussen korte termijnproblemen en lange termijnwaarde maakt groenbeleid tot een wezenlijk politiek vraagstuk. Juist in verkiezingstijd vraagt dat om scherpe keuzes van gemeenteraden: wat vinden we belangrijk, en hoe maken we dat zichtbaar in onze besluiten? Want groen is geen bijzaak van lokaal bestuur, maar een spiegel van hoe de lokale democratie haar verantwoordelijkheid neemt.

Meer informatie over deze uitzending vind je hier bij BNNVARA.

In vrijwel alle berichtgeving klinkt verbazing over het besluit om alle vergaderingen te schrappen. In verkiezingstijd is het gebruikelijk dat gemeenteraden terughoudender zijn met grote besluiten, maar volledig stoppen met vergaderen is iets anders. ‘Dit is echt buitensporig,’ zegt John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, in gesprek met het AD. ‘Dat je grote dossiers niet over je graf heen wilt regeren, kan ik begrijpen. Maar helemaal niet meer samenkomen is uit den boze.’

Volgens Bijl raakt de raad hiermee aan zijn kernfunctie. ‘De raad heeft niet alleen de taak om besluiten te nemen, maar ook om het college te controleren,’ zegt hij tegen Binnenlands Bestuur. ‘Door niet te vergaderen, geef je het college feitelijk een vrijbrief tot 1 april, wanneer de nieuwe raad wordt geïnstalleerd.’

Verkiezingen zijn geen referendum

Voorstanders van het reces stellen dat gevoelige onderwerpen – zoals de bouw van een nieuw gemeentehuis – beter aan de kiezer kunnen worden voorgelegd. Dat argument overtuigt Bijl niet. ‘Daarmee marginaliseer je de verkiezingen tot een referendum,’ zegt hij in het AD. ‘Zo werkt onze representatieve democratie niet. Inwoners kiezen een raad om namens hen afwegingen te maken, niet om lastige besluiten vooruit te schuiven.’

In een interview met de NOS benadrukt Bijl dat het combineren van campagnevoeren en besturen geen tegenstelling hoeft te zijn. ‘Ik kan me voorstellen dat je in verkiezingstijd rekening houdt met agenda’s. In de meeste gemeenten zie je dat de luwte aantreedt in de laatste weken voor de verkiezingen. Maar hier wordt alles opgeschort tot 1 april. Dat slaat nergens op.’

Meer dan alleen grote dossiers

De kritiek richt zich niet alleen op de grote, politiek gevoelige onderwerpen. Door het reces verdwijnen ook kleinere, maar noodzakelijke besluiten van de agenda. Daarmee ontstaat vertraging, juist op momenten waarop nieuwe wettelijke verplichtingen of regionale ontwikkelingen aandacht vragen. ‘Met een beetje pech heb je de eerste grote dossiers pas na het zomerreces op de agenda staan,’ waarschuwt Bijl in Binnenlands Bestuur. ‘Dan ligt de raad maandenlang stil, terwijl het bestuur wél doorgaat.’

In gesprekken met regionale media wijst hij er bovendien op dat het probleem breder is dan besluitvorming alleen. ‘Als je alle vergaderingen opschort, schort je ook je controlerende taak op,’ zegt hij tegen RTV Utrecht. ‘Daarmee zeg je eigenlijk dat je eigen positie belangrijker is dan het dienen van de samenleving.’

Campagne voeren en besturen

De kwestie-De Bilt raakt aan een fundamenteler punt: wat betekent het om raadslid te zijn in verkiezingstijd? Verkiezingen zijn een moment van verantwoording en keuze, maar ze schorten het democratisch mandaat niet op. Juist in aanloop naar de stembus is zichtbaar bestuur van belang.

‘Als de campagne belangrijker wordt dan het bestuur, is er iets niet in orde,’ zegt Bijl in het Reformatorisch Dagblad. Niet vergaderen kan bedoeld zijn als de-escalatie, maar het risico is groot dat het wordt opgevat als terugtrekken uit verantwoordelijkheid. En dat raakt uiteindelijk niet alleen het politieke proces, maar ook het vertrouwen van inwoners in hun lokale democratie.

Dat zegt Bijl in een interview bij Radio 1, waar het ging over de plannen voor een minderheidskabinet met 66 zetels. De NOS deed daar verslag van. Staatsrechtgeleerde Corné Smit (Universiteit Leiden) wees op de Nederlandse scepsis: het land kent nauwelijks ervaring met minderheidskabinetten. De historische voorbeelden roepen vooral beelden van instabiliteit op.

Gemeentelijke praktijk als leeromgeving

Die scepsis herkent Bijl, maar hij plaatst er een belangrijke kanttekening bij. In gemeenten is het werken met minderheidsbesturen geen uitzondering. ‘Een ouderwetse coalitie betekent dat je kunt rusten op een vanzelfsprekende meerderheid,’ zegt hij tegen NOS. ‘Bij een minderheidsconstructie moet je steeds opnieuw laten zien waarom een voorstel deugt.’

Gemeenten als Gooische Meren, Castricum en Baarn hebben daar al ervaring mee. Dat vraagt om een andere houding van zowel bestuur als oppositie. Bijl: ‘Dan moet iedereen zich wel goed gedragen.’

Oproep aan oppositiepartijen

Juist de rol van de oppositie wordt bij een minderheidskabinet bepalend. Partijen die zich afzijdig houden omdat ze niet bij de formatie betrokken waren, doen hun kiezers tekort. ‘Wie gaat zitten mokken, kan niets betekenen,’ zegt Bijl. ‘Ik zou iedere fractie oproepen om te kijken hoe je hier zelf zo constructief mogelijk aan kunt bijdragen.’

Die oproep raakt aan een bredere vraag: is de nationale politiek in staat om het gemeentelijke pragmatisme over te nemen? Minder automatisme, meer inhoudelijke afweging. Minder machtspolitiek, meer publieke verantwoording.

Kans of risico?

Luisteraars van het radioprogramma zijn verdeeld. Sommigen vrezen instabiliteit en korte levensduur, anderen zien juist ruimte voor samenwerking buiten vaste blokken. De vergelijking met landen als Denemarken, waar minderheidskabinetten eerder regel dan uitzondering zijn, laat zien dat het ook anders kan.

De kernvraag is daarmee niet of een minderheidskabinet ‘werkt’, maar welk politiek gedrag we ervan verwachten. Als macht het uitgangspunt blijft, ligt mislukking op de loer. Als inhoud en samenwerking centraal staan, kan een minderheidskabinet juist dwingen tot volwassen politiek. Dat is geen garantie op succes, maar wel een uitnodiging om het anders te doen.

Waarom zou je je nog verkiesbaar stellen voor de gemeenteraad? Die vraag staat centraal in de reportagereeks De Week Van in het programma De Rode Draad op NPO Radio 1. Redacteur Sandrine Thelosen spreekt John Bijl over de aantrekkelijkheid — en de zwaarte — van het raadslidmaatschap.

Volgens Bijl is het werk in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. ‘Het takengebied van gemeenten is door alle decentralisaties juist ingewikkelder geworden. Het is meer dan verdrievoudigd.’ Tegelijkertijd zijn er door herindelingen minder raadsleden dan vroeger.

Dat vertaalt zich in tijd. ‘Gemiddeld is een raadslid tegenwoordig tussen de achttien en de twintig uur per week bezig met het raadswerk.’ In grotere gemeenten kan dat oplopen. En die belasting groeit jaarlijks.

Daar komt bij dat de sociale druk is toegenomen. ‘Zeker het afgelopen jaar zagen we bedreigingen en intimidaties. Dat is niet leuk natuurlijk en zeker ook schadelijk voor de democratie en de kwaliteit van democratische besluiten.’ Toch ziet Bijl dat de motivatie van raadsleden groot blijft: ‘De ambitie — of roeping als je wil — is nog steeds groter dan de angst om bedreigd te worden. Maar leuker wordt het er niet op. Het kost bakken energie.’

De vraag waarom mensen zich toch kandidaat stellen, raakt daarmee aan de kern van lokale democratie: het hoogste bestuursorgaan van de gemeente draait op betrokken inwoners die bereid zijn tijd, energie en publieke verantwoordelijkheid op zich te nemen. In het item De Week van Sandrine is de hele weer te horen op NPO Radio 1.

Bekende sporters en mediapersoonlijkheden als lijstduwer: het blijft een terugkerend fenomeen bij gemeenteraadsverkiezingen. In een artikel van het Algemeen Dagblad over Haagse sporticonen op de kandidatenlijst van Hart voor Den Haag duidt John Bijl het effect en de betekenis van die strategie.

Aanleiding is het aantrekken van onder anderen Lex Schoenmaker als lijstduwer, naast eerdere bekende namen als Raymond van Barneveld en Tom Beugelsdijk. De vraag: levert zo’n bekende Hagenaar extra zetels op?

Bijl is nuchter over de cijfers. ‘Die cijfers bewijzen: een bekende lijstduwer levert niet zo veel op.’ Eerdere verkiezingen laten zien dat veel bekende namen slechts enkele honderden stemmen trekken — te weinig voor een zetel.

Maar zijn kritiek gaat verder dan effectiviteit alleen. ‘Bovendien vind ik het kiezersbedrog als je op een lijst gaat staan voor de leukigheid. Een kandidatenlijst is geen reclamezuil. Als je op een lijst gaat staan, moet je er potverdorie rekening mee houden dat je de raad in kan komen. Wil je dan niet, dan moet je wegwezen.’

Daarmee raakt Bijl aan een principieel punt over representatie. Kandidatenlijsten zijn geen marketinginstrument, maar de personele belichaming van het hoogste bestuursorgaan van de gemeente. Wie zich verkiesbaar stelt, moet bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen.

Nieuw Sociaal Contract doet in vijf gemeenten mee aan de gemeenteraadsverkiezingen, waaronder Eindhoven. In het Eindhovens Dagblad duidt John Bijl de positie van de partij in de lokale context.

NSC presenteert een inspirerend raamwerk voor de nieuwe afdelingen, met thema’s als bestaanszekerheid en herkenbaarheid. Maar volgens Bijl is dat nog geen garantie voor electorale doorbraak. ‘Het zou me eerlijk gezegd verbazen als het de partij lukt om in een van de gemeenten in de raad te komen.’

Hij wijst erop dat de partij bij de laatste Kamerverkiezingen zwaar verloor. ‘De kiezer heeft duidelijk aangegeven dat ze vindt dat NSC het heeft verkloot.’ Dat landelijke sentiment werkt door op lokaal niveau.

Tegelijkertijd nuanceert Bijl: lokale verkiezingen draaien niet alleen om landelijke reputatie. ‘Alleen als er op lokaal niveau een aansprekend figuur, een plaatselijke bekendheid in stelling wordt gebracht, zou het misschien kunnen lukken.’

Daarmee raakt hij aan een bredere dynamiek van gemeenteraadsverkiezingen: landelijke partijen hebben niet automatisch lokaal draagvlak. Lokale herkenbaarheid, organisatiekracht en kandidatenkwaliteit zijn doorslaggevend.

In de De Gelderlander reageert John Bijl op het besluit van ambtenaren van de provincie Gelderland om op te stappen vanwege een conflict over de bescherming van oude bosgroeiplaatsen. De provincie wil 1700 hectare kleine bosgebieden niet langer actief beschermen, om bouwprojecten meer ruimte te geven.

Volgens betrokken ambtenaren zijn daarbij criteria gehanteerd die onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. Het college wijst op het coalitieakkoord en stelt dat de gebieden ook zonder aparte status voldoende beschermd blijven.

Bijl noemt het vertrek van ambtenaren ‘best bijzonder’. Inhoudelijke verschillen tussen bestuurders en ambtenaren komen vaker voor, ook landelijk. Maar daadwerkelijk opstappen vanwege beleidskeuzes is uitzonderlijk. Daarmee raakt de kwestie aan een principieel punt: hoe verhoudt ambtelijke professionaliteit zich tot politieke verantwoordelijkheid?

In het provinciale bestuur ligt de uiteindelijke afweging bij de politiek. Tegelijkertijd is de kwaliteit van besluitvorming gebaat bij zorgvuldig ambtelijk advies en wetenschappelijke onderbouwing. Juist wanneer die twee onder druk komen te staan, wordt zichtbaar hoe kwetsbaar – en tegelijk essentieel – de balans is tussen politiek primaat en ambtelijke integriteit.

Door het vertrek van Remon van Bree naar een oppositiepartij beschikt de coalitie nog over 18 van de 37 zetels. Formeel is zij daarmee in de minderheid. In de praktijk blijft besluitvorming mogelijk doordat enkele raadsleden structureel afwezig zijn, maar die kwetsbare balans onderstreept hoe afhankelijk het bestuur is geworden van incidentele omstandigheden.

Minderheid als politieke realiteit

Volgens Bijl is het verlies van een meerderheid op zichzelf niet het grootste probleem. ‘Een minderheidspositie dwingt partijen om elk voorstel inhoudelijk te onderbouwen en steun te organiseren,’ zegt hij tegen het AD. Daarmee wordt zichtbaar waar politiek om zou moeten draaien: overtuigen in plaats van tellen.

Tegelijkertijd laat de situatie zien hoe fragiel lokale coalities kunnen zijn wanneer partijen vooral verkiezingsvehikels zijn. Bijl pleit er daarom voor dat politieke partijen zich steviger organiseren. ‘Dan weet je meer wat voor vlees je in de kuip hebt, als je iemand op de lijst zet,’ zegt hij in het AD. Vereniging zijn betekent investeren in selectie, debat en onderlinge binding — en dus ook in bestuurlijke stabiliteit.

Historisch perspectief

Nissewaard staat daarin niet alleen. Ook in Spijkenisse, een van de voorgangers van de huidige gemeente, kende de raad eerder een minderheidsconstructie. In 1986 bestuurde de PvdA daar zonder formele coalitiepartners, met wisselende gedoogsteun. Dat laat zien dat minderheidsbestuur geen nieuw fenomeen is, maar telkens opnieuw vraagt om politieke volwassenheid.

Meer dan rekenen

De huidige situatie maakt duidelijk dat een raadsmeerderheid geen natuurgegeven is. Zetelverhoudingen kunnen verschuiven, fracties kunnen splijten en politieke verhoudingen veranderen. De vraag is dan niet alleen of een coalitie kan overleven, maar of de raad als geheel in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor besluitvorming.

Een minderheidscoalitie legt dat scherp bloot. Niet de machtspositie, maar het functioneren van partijen, raadsleden en debatcultuur wordt doorslaggevend. Dat maakt zulke situaties spannend — en tegelijk leerzaam voor iedereen die lokale democratie serieus neemt.