Een bijzin in een artikel bracht wethouder Karin Walters in politieke problemen. Bij een bezoek aan een bijeenkomst met informatie om naar Belarus te emigreren tekende een verslaggever op dat een ‘prominent lokaal bestuurder’ had gezegd ‘Nederland helemaal zat was’. Het bleek om Walters te gaan, maar die ontkende bij de bijeenkomst te zijn geweest. Later beweerde ze slechts met een kennis te bijeenkomst te hebben bezocht. Mede door het steeds bijstellen van haar verhaal verloor ze het vertrouwen van haar collega’s in het college, en de raad.
De kwestie is extra gevoelig omdat het hier gaat om mogelijke verhuisplannen naar Rusland, een land waarmee Nederland ‘in oorlog is’. Dat roept vragen op over haar loyaliteit. Had Walters meteen erkend dat iemand in haar omgeving interesse had in een verhuizing naar Belarus of Rusland, dan had dat volgens Bijl veel kunnen schelen. ‘Ze had kunnen zeggen: “Dit was stom, ik had daar niet moeten zijn. Ik ging mee met iemand die ik goed ken, en in vriendschappen steun je elkaar.”’
Volgens Bijl is het een misvatting dat politici hun privé-opvattingen volledig kunnen scheiden van hun functie. ‘Je gaat de politiek in vanwege je persoonlijke overtuigingen, dus die spelen altijd mee.’ Hij wijst op eerdere incidenten, zoals een wethouder in Zeewolde die moest opstappen vanwege uitgesproken standpunten over het coronabeleid.
In Walters’ geval spelen twee zaken extra zwaar mee. Ten eerste: haar mogelijke vertrek suggereert dat ze Nederland zat is, terwijl ze zelf bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt. En ten tweede: ze is daar niet transparant over geweest. Dat maakt de situatie des te problematischer.
Na jaren van overleg, protest, beklag, een vuist op tafel van toenmalig VNG-voorzitter Jan van Zanen, arbitrage en demonstrerende wethouders Financiën op het Malieveld is de financiële situatie van gemeenten er niet beter op geworden. Integendeel. Zelfs de VNG pleit er nu voor dat gemeenten dan maar geen sluitende begroting inleveren.
Het is de hoogleraren Raymond Gradus en Tjerk Budding ook opgevallen, getuige hun opiniebijdrage vorige week in deze krant (FD, 10 april). Zij betogen dat gemeenten hun spaargeld moeten aanspreken om de jaarlijkse financiële tekorten tegen te gaan. Dat is niet alleen geen oplossing; het is zelfs adding insult to injury.
Het is te gortig om gemeenten weg te zetten als griffe graaiers van gemeenschapsgeld. Helaas komt de nijpende financiële situatie van gemeenten niet bepaald uit de lucht vallen. Zonder structureel ingrijpen staan we aan de vooravond van een onbedoelde maar catastrofale verschraling van de publieke dienstverlening op lokaal niveau. Dat merken we straks allemaal in slecht onderhouden wegen, verstopte riolen, gesloten zwembaden en bibliotheken, nóg langere wachtlijsten voor jeugdhulp en Wmo, rotte schoolgebouwen en woekerend groen.
Betogen dat gemeenten niet hun steentje bijdragen aan noodzakelijke bezuinigingen is onheus. Budding en Gradus gaan in hun bijdrage voorbij aan het feit dat het gemeentefonds – waarvan elke gemeentebudget tot wel driekwart afhankelijk is – al decennialang de sluitpost van de rijksbegroting is.
Al zeker sinds 2002 miskent het Rijk consequent de regel dat elke nieuwe taak voor gemeenten ook adequaat gefinancierd moet worden. Voorbeelden zijn te zien bij de uitvoering van de jeugdhulp en de maatschappelijke ondersteuning: gemeenten kregen openeinderegelingen overgedragen, met daarbij een korting van 25% op het budget. Ook het kabinet-Rutte IV kort weer €500 mln extra op het budget voor jeugdhulp, ondanks dat de verantwoordelijk staatssecretaris inmiddels zelf tegen is. De meest recente ontwikkeling is dat dit bedrag met een eigen bijdrage – te innen door gemeenten – gevonden moet worden.
Een arbitragecommissie onder leiding van staatsraad en huidig informateur Richard van Zwol oordeelde al in 2021 dat gemeenten structureel €6 mrd te weinig van het Rijk hadden ontvangen voor de jeugdzorg – en de komende jaren komen ze miljarden te kort. Het oordeel leidde nog nauwelijks tot bijbetaling, laat staan herstel.
Gemeenten moeten echter óók bloeden voor beleid dat nooit is uitgevoerd. Ze worden sinds 2015 gekort op hun budget, vanuit de onbewezen gedachte dat gefuseerde gemeenten minder geld nodig hebben. En hoewel die verplichte fusies er (gelukkig) nooit zijn gekomen, bleef deze korting – tot nog toe – bestaan.
Daarbovenop wijzigt het Rijk – eenzijdig – de voedingsgrondslag voor het gemeentefonds; jargon voor ‘u krijgt minder geld voor dezelfde taken’. Hierdoor zijn gemeenten angstig geworden structurele verplichtingen aan te gaan en legden ze reserves aan voor beleid dat wél nog moet worden uitgevoerd.
Personeelstekorten, die iedereen ervaart, helpen ook niet om dat geld uit te geven. Dit kabinet zet met de deze week verschenen Voorjaarsnota voorzichtig een eerste stap; genoeg is het zeker niet. Er is maar een échte oplossing: gemeenten moeten van het Rijk adequate budgetten krijgen voor hun taken, naast een correctie om de opgebouwde achterstanden te herstellen. Dat is niet alleen verstandig, het is ook fatsoenlijk.
John Bijl is directeur van het Periklesinstituut, Michiel van der Eng is als trainer aan het instituut verbonden. Het Periklesinstituut verzorgt trainingen voor raadsleden en wethouders.
Dit artikel verscheen eerst op 18 april 2024 bij het Financieel Dagblad.
Volgens Michiel van der Eng, financieel deskundige bij het Periklesinstituut, zullen vooral kleinere gemeenten de klappen voelen. ‘Grotere gemeenten hebben meer rek in de begroting en kunnen dit beter opvangen,’ legt hij uit. Om het volledige tekort te compenseren, zou de onroerendezaakbelasting (OZB) met gemiddeld zestig procent moeten stijgen. ‘Dat is nauwelijks uitlegbaar, want inwoners krijgen er geen extra voorzieningen voor terug,’ aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
De VNG adviseert gemeenten om kritisch te kijken naar zowel verplichte als autonome taken. Bezuinigingen op verplichte taken, zoals paspoortuitgifte, zullen direct merkbaar zijn. ‘Als je maar één avond per week een rijbewijs kunt aanvragen, gaan inwoners daar last van krijgen,’ stelt Van der Eng. Daarnaast dreigt kaalslag in gemeentelijke voorzieningen zoals zwembaden, buurthuizen en culturele instellingen. ‘Een zwembad of buurthuis kan je maar één keer sluiten en meestal komt het niet meer terug. Heropenen brengt weer hoge kosten met zich mee.’
Gemeenten bereiden zich nu al voor op de mogelijke gevolgen en hopen dat de landelijke politiek alsnog met extra financiering komt. ‘De tijd dringt,’ waarschuwt Van der Eng. ‘In het najaar moeten gemeenten beslissen over de begroting voor 2025 en oplossingen zoeken voor het dreigende tekort in 2026 en later.’
De kiezer mag binnenkort stemmen met een kleiner, overzichtelijker stembiljet — tenminste, als het aan demissionair minister Hugo de Jonge ligt. In vijf gemeenten wordt tijdens de Europese verkiezingen geëxperimenteerd met een nieuw ontwerp: partijlogo’s boven, kandidatennummers onder. Geen namen. Die krijgt de kiezer apart thuisgestuurd of kan ze in het stembureau opzoeken. Handig voor het tellen, toegankelijker voor de kiezer.
Maar dat gemak heeft een prijs, zegt John Bijl, directeur van het Periklesinstituut. ‘De essentie van ons democratisch stelsel is dat wij stemmen op kandidaten. Burgers verdiepen zich nu al nauwelijks in de mensen op een kieslijst — dat wordt straks nog minder. We horen een mens te kiezen, geen nummer.’
Het nieuwe stembiljet werkt dat volgens Bijl alleen maar verder in de hand. Wie alleen een partij aanvinkt, stemt automatisch op de lijsttrekker. ‘Dat lijkt me zelfs ongrondwettelijk. Het is het zoveelste duwtje richting persoonsdemocratie.’ In de media krijgt de lijsttrekker al de meeste aandacht, maar elke gekozen politicus vertegenwoordigt zijn eigen mandaat. Dat onderscheid raakt met dit systeem verder op de achtergrond.
Bijl uitte zijn zorgen al eerder in een opinieartikel in NRC, waarin hij betoogt dat het nieuwe biljet Kamerleden en raadsleden nog anoniemer maakt dan ze al zijn.
Hij zou liever zien dat het experiment met scholierenverkiezingen wordt getest — met fictieve stemmen. En dat de stemprocedure niet wordt aangepast om logistieke redenen. ‘Ja, het tellen van grote biljetten kost tijd. Maar is dat erg? Ik vind van niet. Verkiezingen zijn het fundament van de democratie. Dat mag best een dagje langer duren.’
In een tijd waarin politieke vertegenwoordigingen juist onder druk staan, is overzichtelijkheid belangrijk — maar representatie nog belangrijker. Het nieuwe stembiljet lijkt de democratie efficiënter te willen maken. Maar wie alleen nog partijen en nummers ziet, verliest misschien uit het oog waar het echt om draait: het kiezen van mensen.

Volgens bestuurskundige John Bijl van het Periklesinstituut hangt de toekomst van Schot af van hoe ze omgaat met de situatie. In PZC benadrukt hij: ‘Wat je privé doet, heeft impact op je functie als wethouder. Een vergrijp straalt af op het imago van de overheid.’ Bijl wijst erop dat het niet alleen om de overtreding zelf gaat, maar vooral om hoe Schot daarna handelt. ‘Het zegt iets over de moraal wat je intenties en gedragingen zijn nadat de misstand is gepleegd.’
Hoewel Schot in een verklaring spijt heeft betuigd, roept Bijl op tot meer duidelijkheid. ‘Ze moet heel goed uitleggen hoe de zaak zich heeft afgespeeld. Als ze het vertrouwen wil herstellen, is een simpele “ik heb niet goed opgelet” niet voldoende,’ aldus Bijl in PZC.
Voorlopig geniet Schot de steun van haar partij, de SGP, en blijft ze in functie. De gemeenteraad zal uiteindelijk moeten oordelen of zij kan aanblijven. ‘Ook de raad zal een verklaring moeten geven over hoe ze dat verantwoorden,’ stelt Bijl. De kwestie zal de komende weken verder worden besproken in de raadsvergadering.
Het debat over een mogelijk extraparlementair kabinet was volgens John Bijl ‘echt vréselijk’. De directeur van het Periklesinstituut uitte in een interview stevige kritiek op de chaos die ontstond rondom de betekenis van het begrip. ‘Ik ken geen politicoloog of bestuurskundige die niet schreeuwend naar de tv heeft zitten kijken. Ze verrommelen zó de labeltjes. Als Omtzigt het over een extraparlementair kabinet heeft, bedoelt hij eigenlijk een soort gedoogkabinet. En Dilan Yesilgöz lijkt geen enkele definitie te hanteren; het is alsof ze een drilpudding omschrijft die elke vorm kan aannemen.’
Volgens Bijl is het gevolg dat informateur Kim Putters ‘allerlei informatie moet verzamelen waar niemand tevreden over is, want ze weten zélf niet wat ze willen’. Hij wijst erop dat er in Nederlandse gemeenten al veel ervaring is met flexibele samenwerkingen, zónder dat er verwarring ontstaat over wie waarvoor verantwoordelijk is. Het raadsakkoord is daarin een beproefd instrument.
Lianne van Kalken, wethouder in Vlaardingen en promovendus op dit onderwerp, onderstreept het belang van duidelijke spelregels. ‘De eerste les is dat je het met elkaar moet hebben over wat het betekent als je met wisselende meerderheden werkt. Als gemeenten daar wat meer duidelijkheid over hebben, gaan ze het ook beter dóen.’
Dat vergt wel politieke inzet, benadrukt Van Kalken. ‘Politiek is ook gewoon hard werken, ook als je met een raadsakkoord werkt. Maar het helpt je wel om constructiever naar oplossingen te zoeken, in plaats van te blijven hangen in tegenstellingen.’ Volgens haar vinden raadsleden het opvallend vaak eens over de onderwerpen waar ze het níet over eens zijn – ‘en dat is in een dichtgetimmerd coalitieakkoord eigenlijk niet meer mogelijk’.
De gemeentelijke praktijk laat zien dat politieke samenwerking prima mogelijk is zonder dat de democratische helderheid verdwijnt. Misschien moet Den Haag, voordat het verder kijkt over de grens, eerst eens goed naar haar eigen gemeenteraden luisteren.
Bestuurskundige John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, plaatst kanttekeningen bij deze ambitieuze tijdlijn. ‘Het wordt een uitdaging. In theorie is het mogelijk, maar dan moet er in de praktijk een hoop goed vallen,’ aldus Bijl. Hij benadrukt dat de functie van burgemeester van Rotterdam een van de meest veeleisende posities in Nederland is, gezien het aanzien van de stad, de haven en de maatschappelijke uitdagingen. ‘Mensen hebben tijd nodig om hier serieus over na te denken. Ik vraag me af of het wenselijk is om hiermee haast te maken,’ voegt hij toe.
Het selectieproces omvat meerdere stappen, waaronder het opstellen van een profielschets, het voeren van gesprekken en het uitvoeren van integriteitsonderzoeken. Traditioneel neemt dit traject ongeveer acht maanden in beslag. Bijl merkt op: ‘Er is niks mis met deze ambitie, maar hopelijk kunnen ze bijstellen als dat nodig blijkt.’
De komende maanden zullen uitwijzen of de gemeenteraad erin slaagt deze strakke planning te realiseren en een geschikte opvolger voor burgemeester Aboutaleb te vinden.
De belangstelling voor het ambt van burgemeester loopt terug. En hoewel de aantallen op papier nog meevallen, schuilt het werkelijke probleem onder de oppervlakte. ‘Het meest schrijnende voorbeeld is toch wel Kapelle in Zeeland, waar ze de procedure een paar keer hebben moeten opstarten omdat ze te weinig geschikte kandidaten hadden’, zegt John Bijl van het Periklesinstituut.
Demissionair minister Hugo de Jonge meldde deze week aan de Kamer dat het aantal sollicitanten voor een burgemeesterspost is gedaald van dertig in 2016 naar gemiddeld achttien nu. Een nieuwe website moet de zichtbaarheid van vacatures vergroten. Maar dat is volgens Bijl niet genoeg. ‘Het gaat hier om gemiddelden. In sommige gemeenten zie je dat er echt wel weinig kandidaten zijn.’
De dalende belangstelling voor het ambt kent meerdere oorzaken. Gemeenteraden verwachten dat hun burgemeester daadwerkelijk in de gemeente komt wonen — een begrijpelijke wens, maar niet altijd praktisch haalbaar. ‘Het kan best zijn dat iemand graag burgemeester wil zijn in een gemeente, maar dat diegene schoolgaande kinderen heeft’, zegt Bijl. ‘Dan wordt verhuizen ineens een veel grotere drempel.’
Ook de veranderende maatschappelijke context speelt een rol. De wereld is complexer geworden, en daarmee ook het vak. ‘Er ligt veel op het bordje van een gemeente’, zegt Hilde Westera, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Denk aan vluchtelingenopvang, polarisatie en bestuurlijke integriteit. En ook aan het publieke debat waarin burgemeesters regelmatig onderwerp van discussie zijn — soms vanwege hun besluiten, maar steeds vaker vanwege hun persoon.
Volgens Westera is er vooralsnog geen sprake van een crisis: ‘Achttien kandidaten zijn gelukkig nog genoeg, want uiteindelijk heb je er maar één nodig in een gemeente.’ Maar ook zij noemt het ‘een aandachtspunt’. Zeker voor raden die graag kiezen uit meerdere geschikte kandidaten.
Het aantal sollicitanten voor burgemeestersvacatures neemt iets af. Geen schokkende cijfers, maar wel een trend die opvalt. In de studio van BNR reageren Hilde Westera, voorzitter van het Genootschap van Burgemeesters, en John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, op de vraag: wie wil er eigenlijk nog burgemeester worden?
Volgens Westera is er ‘geen zorg, maar wel een aandachtspunt’. Er zijn immers nog steeds voldoende kandidaten om uit te kiezen. Toch noemt zij de krapte op de arbeidsmarkt, de toegenomen complexiteit van het ambt en het effect van zichtbaarheid en bedreigingen als factoren die meespelen. ‘We leven in een complexere wereld, en dat merk je lokaal het eerst’, aldus Westera. ‘Het vluchtelingenvraagstuk, veiligheid, georganiseerde criminaliteit — het komt allemaal samen op het bord van de burgemeester.’
John Bijl is het daarmee eens, maar plaatst het verschijnsel in context: ‘Achter het gemiddelde schuilt soms een pijnlijk verhaal. In gemeenten als Kapelle lukte het niet om voldoende geschikte kandidaten te vinden. Dan is het niet dat er te weinig belangstelling is in abstracto, maar dat de match op lokaal niveau lastig wordt.’
Geen uitvoerder, maar gezagsdrager
Tegelijkertijd leven er misvattingen over het burgemeesterschap. Bijl benadrukt: ‘Inhoudelijk heb je als burgemeester meestal niet zo veel te vertellen. Het college voert het dagelijks bestuur, de gemeenteraad is het hoogste orgaan. De burgemeester is geen bestuurder in klassieke zin, maar wel degene die gezag draagt, agendeert, verbindt en het gezicht van de gemeente is.’
Voor wie denkt dat het ambt een goede opstap is naar een Haagse carrière, heeft hij een waarschuwing: ‘Wie burgemeester wordt om dingen “voor elkaar te krijgen”, vergist zich. Zo werkt onze democratie niet. De raad bepaalt, de burgemeester is geen politiek actor in de zin van beleidsbepaler.’
Niet voor iedereen
Er spelen ook persoonlijke overwegingen. Burgemeesters zijn zichtbaar, herkenbaar, aanspreekbaar — ook in de supermarkt op zaterdagmiddag. ‘Dat is iets waar je het thuis wel over moet hebben’, zegt Bijl. ‘Je gezin kiest niet per se mee, maar leeft wel met de consequenties.’
Daarom bestaan er programma’s om een bredere groep aan te spreken. Zoals het oriëntatieprogramma voor zij-instromers, bedoeld om mensen met een migratieachtergrond, vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen te interesseren. ‘We komen van ver’, zegt Westera. ‘Maar het percentage vrouwelijke burgemeesters is inmiddels gestegen naar ruim 30 procent. Dat gaat stapje voor stapje.’
Westland behoort tot de 111 Nederlandse gemeenten die al jaren geen asielzoekers opvangen. De lokale fracties van GemeenteBelang Westland en LPF Westland voeren als argument aan dat er simpelweg geen ruimte is voor opvang. ‘Onze eigen inwoners zijn al een opgave,’ stelt fractievoorzitter Remmert Keizer. Toch heeft de gemeente geen zeggenschap over de uitvoering van de wet.
Als Westland blijft weigeren, kan de provincie of het Rijk ingrijpen. Dit kan door middel van financiële sancties of door het opleggen van een bestemmingsplan, waarbij wordt vastgelegd dat er opvanglocaties binnen de gemeentegrenzen moeten komen. Bijl verwacht niet dat boetes de voorkeur krijgen. ‘Overheden die elkaar boetes opleggen, daar is natuurlijk weinig charmants aan.’ Een bestemmingsplan ligt meer voor de hand, zoals eerder gebeurde in Albergen, waar het Rijk via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) een hotel aankocht voor opvang.
Peter Duijsens, fractievoorzitter van Westland Verstandig, uit zorgen over de haalbaarheid van de wet in Westland. ‘Ik zou niet weten waar wij zevenhonderd asielzoekers moeten huisvesten,’ zegt hij. Duijsens vreest dat het openlijke verzet van de gemeente contraproductief kan werken. ‘Het is niet slim om zoveel amok te maken. Bij het rijk en de provincie denken ze nu vast: dat Westland zullen we een toontje lager laten zingen.’
Bij Den Haag Centraal suggereert Bijl dat het Rijk mogelijk andere prioriteiten heeft. ‘Misschien is het Westland niet de meest logische plek om te beginnen,’ merkt hij op, wijzend op het feit dat meer dan honderd gemeenten momenteel geen opvang bieden.
Ondanks hun verzet erkennen de gemeentelijke fracties dat de spreidingswet hen bindt. LPF-fractievoorzitter Dave van Koppen noemt de uitspraak van de raad ‘vooral een signaal naar Den Haag’. Uiteindelijk blijft de vraag of de landelijke overheid bereid is om daadwerkelijk door te pakken bij gemeenten die de wet liever negeren.