In Zoetermeer werd het afvalbeleid waar de stad in 2020 bijna aan verslikte formeel pas begin 2025 van tafel geveegd. Niet omdat de raad van gedachten was veranderd, maar omdat het besluit om de regels in te trekken simpelweg nooit gepubliceerd was. En dus bleven de omstreden bepalingen — op papier — vier jaar lang gewoon van kracht.
Het gaat om het zogeheten diftar-beleid: betalen per kilo of per leging, gecombineerd met minder vaak legen van de restafvalcontainer. De weerstand was hevig. Inwoners dwongen een referendum af en verwierpen het voorstel met duidelijke meerderheid. Al in januari 2021 besloot de gemeenteraad het beleid in te trekken. Maar die intrekking werd nooit bekendgemaakt in het gemeenteblad, en bleef daarmee juridisch zonder werking.
Pas begin dit jaar ontdekte het college de omissie. ‘De intrekking is formeel niet in werking getreden’, bevestigt een woordvoerder. Inmiddels is het besluit alsnog gepubliceerd, vier jaar na dato. Volgens de gemeente heeft de vergetelheid geen praktische gevolgen gehad: de oude afvalregels bleven in de praktijk van kracht.
Toch is de vergissing opmerkelijk. ‘Incidenteel komt dit natuurlijk weleens voor, maar echt heel zelden’, zegt John Bijl van het Periklesinstituut. ‘Gemeenteraden nemen honderden besluiten per jaar. De meeste zijn lopendebandwerk. Maar juist bij uitzonderlijke gevallen, zoals het formeel intrekken van een eerder besluit, bestaat het risico dat de normale procedure vergeten wordt.’
De casus laat zien hoe kwetsbaar een bestuursproces kan zijn als politieke besluitvorming en juridische afhandeling uit de pas gaan lopen. In dit geval was de uitkomst al lang bepaald — maar de formele afronding bleef liggen. Een kleine omissie, met een gênante nasleep. Want al is het ‘maar’ papier, bestuur begint daar wel.
Reitema viel volgens de jury op omdat ze zich intensief bezighoudt met armoede in de stad. Ook haar strijd tegen de opmars van partijen die geld verdienen aan mensen in schulden, de zogenoemde schuldenindustrie, is de jury niet ontgaan. Haar betrokkenheid leidde tot concrete initiatieven, zoals het Meldpunt Bewindvoering waar inwoners misstanden over bewindvoerders kunnen melden en hun zorgen kwijt kunnen.
Reitema begon ook samen met VVD-raadslid Erik Verweij een werkgroep om de aanpak van femicide (opzettelijk doden van vrouwen of meisjes) hoger op de politieke agenda te krijgen. Het raadslid werd in 2023 ook al verkozen tot ‘Rotterdamse vrouw van het Jaar’ in de categorie Politiek, Maatschappij en Welzijn.
De andere genomineerden voor ‘beste raadslid van Rotterdam 2024’ waren Vanessa Bruin (Leefbaar Rotterdam) en Astrid Kockelkoren (GroenLinks). Het volledige juryrapport is te lezen op www.besteraadslidvanrotterdam.nl.
Met de verkiezing van Beste raadslid van Rotterdam vragen het Periklesinstituut, Arminius en de Rotterdamse parlementaire pers aandacht voor het belang van lokale politiek. We geven de raadsleden een podium om hun vak en hun verdiensten van de afgelopen periode aan een breder publiek te laten zien. Nu steeds meer taken op de schouders van gemeenten rusten, zijn goede raadsleden immers belangrijker dan ooit.
Volgens John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, is de druk op lokale bestuurders fors toegenomen. ‘De samenleving wordt steeds assertiever. Mensen denken al snel: “Als ik stem tegen windmolens, komen ze er niet”,’ zegt hij tegen de Telegraaf. ‘Maar zo werkt het niet. Politiek draait om compromissen. Om iets voor elkaar te krijgen, moet je voortdurend onderhandelen.’
Naast de toenemende maatschappelijke druk is er nog een structureel probleem: de veranderende rol van wethouders. ‘We kampen met een tekort aan boegbeelden,’ stelt Bijl. ‘Er wordt bij de aanstelling van een wethouder vooral gekeken naar bestuurlijke kwaliteiten: wie kan plannen foutloos uitvoeren? Maar daarmee komen ze op grotere afstand te staan van de dagelijkse zorgen van burgers.’
Dit creëert een lastige dynamiek. De gemeenteraad maakt ambitieuze plannen, maar de realiteit is vaak weerbarstig. Wethouders zitten in een spagaat: zij moeten het beleid uitvoeren en tegelijkertijd de haalbaarheid bewaken. Als een plan niet uitvoerbaar blijkt, is het de wethouder die ‘nee’ moet verkopen. Dat leidt tot frustratie en in sommige gevallen zelfs bedreigingen.
Het groeiende aantal wethouders dat vertrekt, maakt het steeds moeilijker om opvolgers te vinden. Het verhogen van de beloning lijkt een logische oplossing, maar volgens Bijl werkt dat averechts. ‘Daarmee trek je de verkeerde mensen aan en creëer je op termijn alleen maar meer wantrouwen. Politiek bedrijf je vanuit overtuiging, niet voor het geld.’
Ondertussen groeit de werklast, terwijl het aantal wethouders in grote gemeenten wettelijk is gemaximeerd op negen. ‘De taken nemen toe, maar de capaciteit blijft gelijk. Dat wringt,’ stelt Jeroen van Gool, directeur van de Wethoudersvereniging. ‘Wethouders worden steeds vaker de organisatie ingetrokken en raken daardoor juist verder verwijderd van de samenleving. Dat moet veranderen.’
Bijl ziet vooral een gebrek aan herkenbare leiders: ‘We missen boegbeelden die de verbinding kunnen maken tussen beleid en samenleving. De wethouder is nu te veel bestuurder en te weinig politiek leider.’
De vraag blijft hoe het wethouderschap aantrekkelijker kan worden gemaakt, zonder de kwaliteit van het lokale bestuur te ondermijnen. Van Gool pleit voor meer autonomie bij gemeenten: ‘Laat gemeenteraden zelf beslissen hoeveel wethouders ze nodig hebben. Beperk je het aantal, dan zul je zien dat de problemen met werkdruk, onvrede en bedreigingen alleen maar toenemen.’
Wat er ook gebeurt, één ding is duidelijk: zonder voldoende ruimte en sterk politiek leiderschap wordt het wethouderschap er niet aantrekkelijker op.
Luisteraars van het programma Spraakmakers ervaren een groeiende afstand tussen wethouders en burgers. Bijl ziet dit echter als een functioneel aspect van het bestuur: ‘Raadsleden zijn er voor de verbinding en wethouders dienen uit te voeren. Dat vergt juist een bepaalde afstand.’
Hoewel ook het aantal agressieve benaderingen en zelfs bedreiging aan het adres van lokale bestuurders is toegenomen, ziet Bijl dit niet als de belangrijkste oorzaak van het vertrek van veel wethouders. ‘Het maakt het werk niet leuker.’ Volgens Bijl is de grootste reden dat wethouders opstappen de hoge werkdruk. ‘Sinds 2002 zijn de taken verdrievoudigd, terwijl het aantal politieke ambtsdragers met 20% is gedaald.’
Deze situatie roept vragen op over de houdbaarheid van het huidige systeem. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wethouders effectief blijven functioneren zonder te bezwijken onder de toenemende druk? Het is essentieel dat lokale bestuurders de middelen en ondersteuning krijgen die nodig zijn om hun taken naar behoren uit te voeren. Bijl pleit daarom voor meer wethouders én meer raadsleden. ‘Vergroot gewoon de kracht van het lokale bestuur.’
John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, wijst op een subtiel maar belangrijk gevaar: de onbewuste gunfactor. ‘Je wilt er graag vanuit gaan dat ze de kaart uit liefde en plezier verstrekken aan de raadsleden en er niets voor terug willen zien of verwachten, maar ja, ze moeten ook niet stijgen in je onbewuste gunfactor. Daarom is het niet verstandig om het te doen,’ zegt hij tegen Binnenlands Bestuur.
De onbewuste gunfactor houdt in dat zelfs zonder opzet of kwade wil de perceptie van onafhankelijkheid van volksvertegenwoordigers in gevaar komt. Bijl benadrukt dat deze onafhankelijkheid cruciaal is, ongeacht het onderwerp: ‘De volksvertegenwoordiging dient over het park net zo kritisch te zijn als wanneer het gaat over handelingen in het sociaal domein. Iedereen verdient gelijke behandeling.’ Hoge Veluwe-directeur baron Seger van Voorst tot Voorst noemde de raadsleden in een reactie al ‘ambassadeurs’ van de Hoe Veluwe. Bijl vind die uit spraak ‘dommig’.
In dit licht is het verstandig dat volksvertegenwoordigers geschenken boven de toegestane waarde afwijzen om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen, zegt Bijl. Volksvertegenwoordigers moeten hun onafhankelijkheid bewaken en zelfs de schijn van belangenverstrengeling vermijden. Werkbezoeken aan het park of etentjes voor besluitvorming verdedigbaar kunnen zijn, waarschuwt Bijl voor overdadige gastvrijheid: ‘Die gedragscode is er niet voor niks: 50 euro. There’s no such thing as a free lunch.’
De Staten hebben een cruciale rol in het selectieproces. Zij stellen een profiel op dat recht moet doen aan de diversiteit en dynamiek van de provincie. Sommigen benadrukken het belang van een vrouw in de functie, terwijl anderen pleiten voor ervaring en bestuurlijke kennis. ‘Een commissaris moet niet alleen het bestuur versterken, maar ook een brug slaan tussen inwoners en de overheid,’ aldus Bijl.
De discussie biedt ruimte voor reflectie: hoe wegen we ervaring en frisse perspectieven tegen elkaar af? Hoewel diversiteit een belangrijk doel is, mag dit volgens Bijl nooit ten koste gaan van de kernkwaliteiten die de functie vereist. ‘Het gaat om het totaalplaatje van de CV, niet om een enkele eigenschap. De kandidaat moet vooral in staat zijn verschillende belangen te verenigen.’
Op 12 februari 2025 maakte de Provinciale Staten bekend dat zij de partijloze Daniël Wigboldus voordragen als Commissaris van de Koning. Over deze keuze spraak Bijl ook met De Gelderlander: Partijloos, neutraal, maar met uitdagingen
Het zijn juist de lokale partijen zelf die nog weinig gericht toewerken naar het burgemeesterschap, constateert Bijl. ‘Op een partijborrel hoor je zelden iemand zeggen: is dat niks voor jou, burgemeester worden? Terwijl zo’n zetje juist het verschil kan maken.’
Het Kennispunt lokale politieke partijen probeert daar verandering in te brengen met een speciale training voor raadsleden met ambities. David Schalken, raadslid voor Beter Voor Dordt, nam afgelopen najaar deel. Hij liep mee met burgemeester Marian Witte van Geertruidenberg, zelf jarenlang actief voor Gemeentebelangen Oosterhout. ‘Ik moest echt ontwethouderen’, zegt Witte. ‘Als burgemeester ben je minder van de inhoud en meer van het proces. Ik kan hooguit raadsleden en wethouders inspireren.’
Met het trainingstraject wordt zichtbaar wat nodig is om de stap te zetten. Schalken: ‘Het is heel veel schakelen, maar dat past bij mij. Meer dan het politieke van een wethouderschap.’ Ook over zijn motivatie is hij helder: ‘Ik ben meer van het netwerken en mensen bijeenbrengen. Dat past bij het ambt van burgemeester, denk ik.’ Zijn sollicitatiebrief ligt voorlopig nog in de la, maar dat hij verder kijkt dan de Dordtse raadszaal, is zeker.
Haags raadslid Richard de Mos heeft tijdens een bezoek aan Suriname een intentieovereenkomst ondertekend voor een stedenband tussen Den Haag en Paramaribo. Dit roept vragen op binnen de gemeenteraad: kan een partijleider zomaar uit naam van de stad spreken?
De Mos benadrukt dat het een ‘fact finding missie’ was met het oog op de verkiezingen van 2026, waarbij Hart voor Den Haag een bredere achterban wil aanspreken. ‘In Den Haag wonen 55.000 mensen van Surinaamse komaf. Zij moeten beter bediend worden dan nu het geval is,’ zegt hij in *AD*.
Niet iedereen is overtuigd. ‘Het lijkt alsof hij namens Den Haag spreekt en zo het college en de raad ondermijnt,’ stelt Adeel Mahmood (Denk). Ook John Bijl, gemeentepolitiek-expert van het Periklesinstituut, plaatst kanttekeningen: ‘Hiermee kan het beeld worden geschapen dat De Mos Den Haag vertegenwoordigt. En dat kan-ie niet, dat kan alleen de burgemeester. Ook als-ie 45 zetels haalt. Dus de vraag is: doet De Mos hier voorkomen alsof hij een mandaat heeft wat-ie nooit gaat krijgen? Zonnekoninggedrag. En ons parlementaire systeem is nou juist bedoeld om dergelijk zonnekoninggedrag – “ik ga het wel even voor je regelen” – te voorkomen.’
Volgens deskundige John Bijl ligt de kern van het probleem elders: ‘Bij het wethouderschap hoort dat je politieke verantwoordelijkheid draagt. Zo te zien had hij dit raadsvoorstel nooit moeten laten doorgeleiden naar de raad.’ Meijdam presenteerde zichzelf als een neutrale toeschouwer, zonder eigen verantwoordelijkheid te erkennen. ‘Hij doet alsof-ie rapporteur is, of verslaggever, maar vergeet gemakshalve de positie en verantwoordelijkheid van de wethouder te noemen. Niet fraai.’
De politieke schade is groot. De oppositie, met name D66 en VVD, ziet de portefeuillewissel niet als oplossing. VVD’er Thijmen Peter de With is kritisch: ‘Door te schuiven met portefeuilles, los je dat niet op en genereer je weer extra risico’s op nieuwe portefeuilles.’ Ook D66-fractievoorzitter Jaap Breur vraagt zich af of Meijdam zijn rol nog geloofwaardig kan vervullen.
Wat nu? Volgens Bijl heeft de raad middelen om in te grijpen: een motie van afkeuring als waarschuwing, of een motie van wantrouwen als signaal dat Meijdam moet opstappen. En het vertrouwen in de politiek? Dat is volgens Bijl alleen te herstellen door verantwoordelijkheid te nemen: ‘Sorry zeggen en voortaan je werk goed doen.’ Maar excuses van Meijdam zijn tot nu toe uitgebleven.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen stonden Sewtahal en Bingöl op de kieslijst van respectievelijk PvdA en CDA. Nu maken ze deel uit van Hart voor Den Haag. ‘Ja, dit mag zomaar’, zegt John Bijl tegen Den Haag FM. Raadsleden zijn in principe vrij om zelf te bepalen voor welke fractie ze uitkomen, legt Bijl uit. ‘Raadsleden zitten er op persoonlijke titel, met een eigen mandaat. Als ze vinden dat ze hun werk beter kunnen doen in een andere fractie, staat het ze vrij om die keuze te maken. De zetel blijft altijd van het raadslid zelf.’
Het vraagt wel uitleg, vindt Bijl. Het is aan de raadsleden om uit te leggen hoe ze verwachtingen uit de verkiezingstijd als lid van een andere fractie waar gaan maken. ‘Als je op de kieslijst van het CDA, de PvdA of een andere partij stond, verwachten mensen dat je dat gedachtegoed verdedigt.’ Zonder die uitleg levert de overstap vooral verwarring op, denkt Bijl. ‘Zolang dat onduidelijk blijft, zullen kiezers denken: zitten ze daar eigenlijk wel voor mij?’
Zeker omdat Sewtahal en Bingöl nu lid zijn van een fractie die duidelijk andere dingen wilt dan de huidige Haagse coaltiefracties hebben afgesproken. In theorie zou de koers van het Haags gemeentebestuur ineens een hele andere kunnen zijn. Al zijn er beperkingen, zegt Bijl tegen het AD/Haagse Courant. ‘Als de uitvoering echt al in gang is gezet, gaat dat niet. Als de straat al openligt, moet je niet ineens gaan zeggen: dan gooien we ’m maar weer dicht. Hetzelfde geldt als er al overeenkomsten met andere partijen zijn gesloten, zoals met onderaannemers.’