Overijverig ANP verspreidt nepnieuws over voordracht burgemeester Boxtel

Als er geen nieuws is, moet je het maken. Het lijkt de enige motivatie te zijn geweest voor het ANP om een nieuwsbericht te schrijven over de voordracht van Ronald van Meygaarden als burgemeester van Boxtel. Waarschijnlijk weinig geprikkeld door de zoveelste burgemeestersvoordracht verzon een overijverige auteur er maar even wat zinnen bij. De aanleiding leek alleraardigst; Van Meygaarden was eerder lijsttrekker van de relatief nieuwe politieke beweging Code Oranje. Niet alleen leidde deze constatering tot onjuiste conclusies in het ANP-bericht; erger is dat deze fouten en verzinsels schadelijk zijn voor het ambt burgemeester. Gerenommeerde media zoals NOS, Binnenlands Bestuur, Brabants Dagblad en zelfs TPO namen dit nepnieuws zonder het te corrigeren over.

Dit zijn de fouten. Met dank aan TPO voor het screenshot van het ANP-bericht.

Het ANP-bericht met de fouten

(1) Partijen leveren geen burgemeesters, gemeenteraden leveren burgemeesters. Na een sollicitatieprocedure is het een vertrouwenscommissie van de gemeenteraad (met daarin leden van deze raad) die de gesprekken voert met de kandidaten die ‘doorgaan naar de tweede ronde’.

In die gesprekken is de partij-affiliatie eigenlijk geen onderwerp van gesprek. Een nieuwe burgemeester vertelde me laatst dat zijn partijlidmaatschap tot zijn aangename verrassing helemaal niet aan de orde is geweest. Een ander vertelde me dat het wel was besproken, maar met de vraag waarom hij een lange tijd geen lid meer was geweest van een politieke vereniging. Uit nieuwsgierigheid waar deze periode van ogenschijnlijk verminderde periode van politieke participatie vandaan komt. De gesprekken over geschiktheid hadden verder niets met zijn partijlidmaatschap (of het gebrek eraan) te maken.

(2) De gemeenteraad is de enige die de kandidaat-burgemeester mág voordragen. Dus natúúrlijk stond de gemeenteraad achter de voordracht.

Na de sollicitatie-gesprekken draagt een vertrouwenscommissie meestal twee kandidaten voor. In enkel geval heeft de vertrouwenscommissie de mogelijkheid daar een voorkeur bij uit te spreken, maar in de meeste gevallen worden de kandidaten als gelijkwaardig geschikt gepresenteerd. In een besloten vergadering vergadert de gemeenteraad als geheel over welke kandidaat de voorkeur geniet.

Ook in dat debat gaat het over voorkeuren en competenties. Is het wel de netwerker of verbinden die we wilden? In hoeverre staat deze kandidaat ‘met zijn benen in de samenleving’? Fracties die daar de partijkaart trekken, worden door hun collega’s snel gecorrigeerd.

Overigens is het opvallend (hoewel niet uniek) dat de gemeente zelf met het nieuws komt dat de uitslag ‘unaniem’ is. Daarmee schendt de gemeente eigenlijk zelf de geheimhouding die hoort bij de burgemeestersprocedure.

(3) Een juiste formulering, Code Oranje zal er blij mee zijn, maar de relevantie is er niet. Door deze tekst op te nemen, líj́kt het stuk te willen insinueren dat de burgemeester enige zeggenschap heeft over ‘het meer zeggenschap geven aan burgers’. Dat is niet zo. Een burgemeester heeft in de gemeentepolitiek weinig te vertellen. Sterker, iedere burgemeester die ooit met z’n tengels aan de inhoud zit – en iedere beginnende burgemeester maakt die fout wel een keer – wordt dat snel afgeleerd.

Ook de enige echte inhoudelijke politieke portefeuille van de burgemeester – openbare orde en veiligheid – laat weinig ‘burgerbetrokkenheid’ toe. Het gaat meestal om bevoegdheden die een spoedig besluit vragen: noodbevelen, intrekken van horeca-vergunningen en uit huis plaatsingen. Geen dingen die je via een referendum regelt.

(4) Burgemeesters worden ‘door de Kroon’ benoemd, en niet — zoals hier staat – door de Koning. De Kroon is een pars-pro-toto voor de regering, dus inclusief Ministers. De Koning zet slechts zijn handtekening.

(5) Daarnaast is het sinds de regeling dat de gemeenteraad een kandidaat voor het burgemeesterschap voordraagt nog nóóit voorgekomen dat de Kroon de voordracht niet volgde.

Zo bezien mag ANP wel eens investeren in kennis van burgemeestersbenoemingen, en misschien wel van heel het gemeenterecht. Daarmee zou deze averij voorkomen moeten worden.

Want dat is het: averij.

De insinuatie dat de politieke kleur of het netwerk relevanter is geweest dan de capaciteiten slaan een schaduw op de start van het burgemeesterschap. Het levert verwachtingen op die een nieuwe burgemeester met zijn beperkte politieke verantwoordelijkheden nooit waar kan maken. Femke Halsema weet er alles van. Door haar partijlidmaatschap werd gehoopt op, of gevreesd dat de burgemeester wel even in de hoofdstad ‘duurzaamheid op de agenda zou zetten’ — terwijl een burgemeester maar weinig over de politieke prioriteiten te vertellen heeft. En nog steeds wordt door de gemeenteraad of het college verzonnen beleid haar in de schoenen geschoven.

Daarnaast is het voor de kandidaat zélf niet eerlijk. Terwijl Van Meygaarden in zijn sollicitatie bij de vertrouwenscommissie gewoon liet zien dat hij de beste was, ziet men buiten de raad reden om te twijfelen of het toch niet kartel-argumenten waren die hem burgemeester maakten. Zo wordt met het idee van partijbenoemingen allerlei samenzweringstheorieën over de macht van politieke verenigingen gevoed — en blijft de gedachte bestaan dat ‘politiek een groot complot is tegen gewone sukkels,’ zoals Jan Blokker het ooit verwoorde.

Een correctie van ANP lijkt me op z’n plaats, én een excuus aan alle media die het overnamen. Net als felicitaties aan Van Meygaarden. Ik weet zeker dat inwoners en anderen snel snappen dat hij deze voordracht op eigen merites heeft bereikt.

Een versie van dit artikel verscheen eerst op TPO.

Zo langzamerhand begint het een politieke soap te worden. Na meer dan twaalf jaar onderzoeken, argumenteren, betogen en – het allerbelangrijkste – debatteren heeft Feyenoord nog steeds geen nieuw stadion.

Wanneer Rotterdam een gekozen burgemeester had gehad, had de nieuwe Kuip er al gestaan. Burgemeester Aboutaleb was zes jaar geleden naar verluid een voorstander van de bouw en bewonderde het grote gebaar dat er van uitging. Dat niet iedereen die gedachte deelde, merkte burgemeester en wethouders toen de gemeenteraad, toch het hoogste orgaan van de gemeente, in juli 2013 het plan verwierp en een voorstel eiste waarin ook rekening werd gehouden met hún wensen.

Zonder dat we hier de discussie hoeven te voeren, geloof ik dat het debat sinds het afwijzen van de plannen de eventuele aanleg van het Stadionpark alleen maar beter kan maken. Gelukkig kent Rotterdam een koppige gemeenteraad. Waar in een enkele andere gemeente de volksvertegenwoordiging zich nog wel eens door het college een besluit in laat intimideren, zijn de Rotterdamse raadsleden niet gauw onder indruk van macht of middelen.

Met een gekozen burgemeester – met een eigen kiezersmandaat – was het vast anders gelopen. De gesprekken tussen raad en gekozen college hadden kunnen leiden tot een verlammende machtsstrijd, waarbij de inhoud naar de achtergrond verdwijnt en uiteindelijk alleen nog geldt wie er aan het eind van het debat gewonnen heeft. Ook het burgemeestersreferendum zoals Leefbaar Rotterdam dat graag wil, sleutelt stevig aan de rolverdeling tussen raad en burgemeester. Dat de raad zoals nu het geval is de burgemeester werft, zegt ook iets over de onderlinge verhoudingen.

Gemeenteraad de baas

Hoewel wellicht geen burgemeester het graag toegeeft, is er een zekere hiërarchie. Niet voor niets kent de Gemeentewet een kraakheldere procedure als de gemeenteraad de burgemeester niet meer ziet zitten. Zoals bijvoorbeeld Stefan Huisman in Oosterhout, Hans Ubachs in Laarbeek en Hans Gerritsen uit Haaksbergen ondervonden, kan de gemeenteraad om ontslag vragen bij de Commissaris van de Koning. Maar wat de burgemeester moet doen om van een onhandelbare raad af te komen, zul je in het Staatsrecht niet tegenkomen. De raad heeft immers een kiezersmandaat – en dat gaat, in een democratie, boven alles.

Bij die hiërarchische verhoudingen hoort dat het werven van een burgemeester nu een a-politieke aangelegenheid is. Niet voor niets is de raad van Roosendaal in zijn nopjes met de huidige Rotterdamse raadsgriffier Han van Midden als nieuwe burgemeester. Net als op Coolsingel zullen ze in Roosendaal er weinig van merken welke partijpas hij in zijn la heeft liggen.

Kandidaten worden door de sollicitatiecommissie van de gemeenteraad ondervraagd over hoe ze vergaderingen voorzitten, hoe ze ruzies in de raad aan zullen pakken en wat ze doen bij calamiteiten. Wat ze vinden van ontwikkelingen in het sociaal domein of sportsubsidies of nieuwbouw in het stadscentrum komt in die gesprekken niet aan de orde. De burgemeester gaat er simpelweg niet over.

Hoezeer het in de publieke opinie ook zo lijkt; een Nederlandse burgemeester heeft in de praktijk maar weinig te vertellen. Sterker, iedere burgemeester die ooit met z’n tengels aan de inhoud zit – en iedere beginnende burgemeester maakt die fout een keer – wordt dat snel afgeleerd.

Openbare veiligheid

De enige verantwoordelijkheid die een burgemeester wel tot zijn portefeuille mag rekenen, is er nou juist een waarvan je je kunt afvragen of een kiezersmandaat de besluitvorming ten goede komt. Als raadsvoorzitter heeft hij de verantwoordelijkheid kwaliteit en integriteit van het openbaar bestuur te bewaken. Daarnaast kent de burgemeester verregaande bevoegdheden om de openbare orde te bewaren. Juist twee zaken waarbij de relatieve politieke neutraliteit van de burgemeester een voordeel is gebleken. In de regel gaan onze burgemeesters uiterst terughoudend met hun machtsmiddelen om. Terecht voelen ze zich door raad, samenleving én rechter onder de elektronenmicroscoop gelegd. Niet alleen in Rotterdam ontploft er nog wel eens een raadslid als hij het idee heeft dat de spreektijd wordt ingezet om hem ‘de mond te snoeren’. En John Jorritsma, burgemeester van Eindhoven, weet er na zijn omstreden beslissing een demonstratie van Pegida niet toe te staan, alles van.

Een meer politieke burgemeester, met een eigen mandaat tegenover de gemeenteraad, zal daar onherroepelijk meer van zijn eigen agenda gaan tonen. Een agenda die onherroepelijk gaat botsen met de wil van de raad. Een strijd die nu altijd wordt beslecht in het voordeel van de volksvertegenwoordiging en het debat in de raad. Met een gekozen burgemeester, zelfs een met het nep-mandaat van de voorgestelde burgemeesterspeiling, is het nog maar de vraag. Met als vervolgvraag of onze pluriforme democratie niet meer schade aan wordt gedaan door ook een burgemeester te kiezen.

Uiteindelijk past het toch het best bij een democratie dat het hoogste orgaan wordt gevormd door een groep mensen, 45 in ons geval, met verschillende meningen, die gedwongen worden met elkaar te debatteren over wat de beste oplossing is. Dat is toch een andere democratie dan die waarin kiezers een keer per zes jaar één man of één vrouw een politiek mandaat geven om zijn of haar zin proberen door te drukken.

‘Beste Nederlanders’ lachte Mark Rutte ons gister toe. Met een openbare brief (lees: advertentie) in de grote dagbladen vertelde Rutte dat ons land er toch wel lekker bij ligt. Met een waarschuwing voor zijn kwetsbaarheid. ‘Nederland is een vaasje dat we met 17 miljoen Nederlanders vasthouden,’ stond er. De vraag is van welke Mark Rutte deze brief eigenlijk afkomstig is. We hebben er immers twee. De goedlachse premier die een fragiele coalitie door maatschappelijk onstuimig vaarwater loodst én de goedlachse liberaal die leiding geeft aan de vroem-vroem-partij.

Het ligt niet aan u dat u de twee niet uit elkaar kan houden; blijkbaar lukt het Mark Rutte zelf ook niet goed. Toch zijn er verschillen. De eerste Mark Rutte, de premier van alle Nederlanders, zou ons met de brief wellicht gerust willen stellen dat het land echt niet zo in brand staat als sommige gele hesjes ons doen willen geloven. Zijn oproep leest dan als een goed bedoelde – en niet onterechte – oproep de eendracht in het land te bewaken. De boel bij elkaar te houden. In dat licht kent de brief een vreemd overkomende dis aan zijn collega’s aan het Binnenhof. Politici ‘die bij de microfoon dingen kunnen roepen omdat ze weten dat er toch nooit een meerderheid voor zal zijn’. Ik zou het mij niet door de premier laten zeggen.
Misschien is de brief dan toch van de andere Mark? Die is geschreven door de Mark met de overtuiging dat alleen hij – en dus de VVD – vindt dat die rust alleen bewaard kan worden wanneer u bij de volgende verkiezingen ook op de VVD stemt. Een ordinair verkoopverhaal dus; niet anders dan de claim van een zeepfabrikant dat zijn product écht het schoonst wast. Alleen Rutte kan het land redden want, zo schrijft hij, ‘ik voel de verantwoordelijkheid het vaasje vast te houden’.

Het is vast niet voor niets dat de brief in het midden laat door welke Mark ze is geschreven. De VVD betaalde voor de plaatsing en het komt de liberalen maar wat goed uit dat de premier hun boodschap verkondigt. Een betrouwbaarder bron dan de regeringsleider kan er toch niet zijn. Daarnaast kan het geen kwaad de kiezers er even aan te herinneren dat Mark Rutte ‘van de VVD’ is; de zogeheten ‘premierbonus’ levert al jaren extra zetels op.

Maar netjes is het niet. De ingezonden brief is niets anders dan paid content. Het is vergelijkbaar met een opiniestuk dat u wijs maakt dat Shell groene vingers heeft of medisch onderzoek dat één geneesmiddel aanprijst. Rutte treedt erin niet op als premier, maar als bekende Nederlander die ons heimelijk de VVD aanprijst. En net zo goed als dat u zich ongemakkelijk voelde toen Yvon Jaspers veevoer aanprees, moet u datzelfde gevoel ook bij deze brief hebben.

In de VS was Rutte niet met de brief weggekomen. De Amerikaanse politiek kent strikte regels voor het plaatsen van politieke advertenties: er moet met tenminste een 12-punts lettergrootte duidelijk bij staan wie de bron is van de publicatie. Niet voor niets; of het nu om opinies van bestuurders, gepubliceerd onderzoek of ordinaire zwartmaakcampagnes gaat, de kiezer heeft het recht te weten wie er voor heeft gezorgd dat de boodschap ons werd gebracht.

Nederland kent deze strikte regulering niet; eigenlijk zijn alleen in gemeentelijke verordeningen (de zogeheten APV’s) regels opgenomen over waar je een poster mag plakken en hoe hard de installatie van de geluidswagen mag zijn.

Rutte’s ongemakkelijke twee-petten-brief maakt duidelijk dat het tijd wordt de Nederlandse campagneregels ook aan te scherpen. En moeten Nederlandse politieke verenigingen ook worden verplicht transparant te zijn over welke betaalde kopij ze levert, welke artikelen ze promoten op Facebook en welke onderzoek ze financieren. Deze ‘reclame-code’ voor politieke partijen laat de kiezer in ieder geval de afzender en financier zien, zodat hij hopelijk ook een goed beeld krijgt van zijn intenties. Campagnevoeren is niet alleen prima, het hoort bij onze democratie. Maar voer het wel graag met open vizier.

Deze brief verscheen op 19 december 2018 in NRC Next,

Afgelopen dinsdag moest de gemeenteraad van de Zuid-Hollandse kasgemeente op stel en sprong vergaderen. Nog volop in de vakantiestemming werden de raadsleden opgetrommeld voor een spoedoverleg.

Dat is uitzonderlijk. Hoe relevant en belangrijk de lokale politiek ook is, haast heeft het zelden. Toch vond burgemeester Anges van Ardenne het hoogst noodzakelijk dat de leden van volksvertegenwoordiging in Westland dinsdag meteen bijeenkwamen. Nadat ze op vrijdag de griffier al voorzichtig een vergaderdatum had laten polsen, ontvingen de raadsleden op de vergaderdag zelf pas de uitnodiging.

Niet dat ze daar heel veel wijzer van werden. Volgens de agenda moest er ‘urgent een besluit genomen worden in een ruimtelijk dossier’. Dat zegt niks. De Gemeentewet geeft met artikel 19 lid 2 de burgmeester dan wel de bevoegdheid om zonder opgaaf van reden een raadsvergadering uit te schrijven, maar deze vaagtaal geeft een raadslid nauwelijks kans zich voor te bereiden. Van de 276 miljoen euro die Westland jaarlijks te besteden heeft, geeft ze zelf al 52 miljoen uit aan ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Met de omzet die de gemeente met beleidsregels mogelijk maakt, mag je de waarde van dit beleidsterrein gemakkelijk vertienvoudigden.

Toch werd er vergaderd. Pas op de avond zelf wisten in ieder geval de raadsleden waarover. Met drie A4’tjes werden ze voor een uurtje de fractiekamers ingestuurd om zich in te lezen. Krap een uur later namen ze een besluit. Met excuus van Van Ardenne dat het fatsoenlijk uitnodigen er niet was van gekomen. ‘We waren met de voorbereidingen voor deze vergadering bezig,’ sprak ze.

Waar het nou over ging? Joost, of Agnes, mag het weten. Op voordracht van Van Ardenne behandelde de raad de kwestie in beslotenheid en is ook 24 uur na de vergadering nog steeds niet duidelijk wáár de gemeenteraad over heeft gesproken. Laat staan dat duidelijk is welk besluit er is genomen. Naar verluid zou het gaan om de huisvesting van vijfduizend arbeidsmigranten. Volgens de laatste geruchten zou het besluit daartoe al in het lokale huis-aan-huisblad worden gepubliceerd en was in de ambtelijke organisatie even vergeten dat eerst de raad daar over moet spreken.

Dat laatste lijkt niet te worden ontkend door de gemeentewoordvoerder. Die laat De Telegraaf weten dat het wel vaker voorkomt dat collegebesluiten als fait accompli naar de krant gaan, nog voor dat de raad er over heeft vergaderd — waarschijnlijk om de deadline van de krant te halen. Normaal gesproken zal tussen deadline en publicatie een gebruikelijke raadsvergadering zitten maar nu de raad met reces was, liep dat even anders.

Het zet Van Ardenne’s excuus in een heel ander licht. Dus wel vaker is men ‘zo druk met het maken van beleid dat de raad er even bij inschiet’. Dat getuigt niet alleen van bestuurlijk amateurisme, maar meer van een defect democratisch besef. De gemeenteraad zit er niet voor spek-en-bonen, ook niet in komkommertijd.

Ogenschijnlijk mist in Westland een noodzakelijk diep inzicht dat besluiten beter worden wanneer ze publiekelijk besproken worden door mensen die weten wat er in de lokale samenleving leeft. Eerder lijkt het er op, dat de Westlandse volksvertegenwoordiging als stempelclubje wordt gezien. Waar bestuurders zo min mogelijk last van moeten hebben. Die gedachtegang zet niet alleen de politiek, maar ook de inwoner op afstand. Dat de genomen beslotenheid dan is ingegeven om het prutswerk van de gemeente weg te stoppen in plaats van de gebruikelijke redenen, maakt het er niet fraaier op.
Terug van reces, zal de volksvertegenwoordiging van Westland zich vast nog eens buigen over deze vergaderflater. Hopelijk kijkt hij dan ook even naar de bestuurscultuur waaronder dit voorval kon ontstaan. Zodat politiek en democratie niet alleen in de samenleving, maar eerst eens bij de gemeente zelf kunnen gaan leven.

Komende dinsdag treffen de raadsleden van Westland elkaar in de raadszaal. Ze hebben er hun vakantie voor af moeten breken. Welk onderwerp op de agenda staat is niet publiek gemaakt. Ook de vergadering zelf is besloten.

Dat is ongehoord, zegt John Bijl tegen Binnenlands Bestuur. De transparantie van bestuur vraagt in ieder geval dat iedereen weet waar het over gaat.

‘Niet voor niets staat in het eigen Reglement van orde van Westland dat de gemeenteraad tenminste 48 uur van tevoren op de hoogte moet worden gesteld,’ weet Bijl. ‘En de Gemeentewet schrijft voor dat een vergadering kan worden uitgeschreven ‘met opgaaf van reden’. De gemeenteraad heeft nu niets van dit alles.’

Volgens Bijl loopt de gemeente ook nog het risico dat een rechter de gang van zaken als onzorgvuldig zal beoordelen, met als gevolg dat een eventueel raadsbesluit wordt vernietigd.

Toen de Deventenaar zich met de raadsverkiezingen van 21 maart uitsprak, is het mandaat van de gemeenteraad muurvast vastgelegd. De enige die dan nog iets aan de samenstelling van het hoogste orgaan van de gemeente kan doen, is de gemeenteraad zelf. En dat gebeurde ook. Vanwege frictie in de fractie besloot het voor D66 gekozen raadslid Eva Sipman zich na het reces aan te sluiten bij een andere fractie: die van de VVD.

De aanleiding voor Sipmans overstap is het stemgedrag van haar voormalige fractiecollega’s bij het faillissement van werkbedrijf Werkmakelaar-Oost. Het kostte de gemeente tonnen — en de financiële misère moest nota bene via een klokkenluider naar buiten komen. Volgens Sipman hadden haar eerdere partijgenoten in de Deventer raad een motie van wantrouwen tegen verantwoordelijk wethouder Jan Jaap Kolkman moeten steunen. Nu stemde ze als enige voor, de andere D66’ers in de Deventer raad durfden het niet aan coalitiegenoot PvdA ermee tegen de haren in te strijken.

Naar verluidt heeft D66-fractievoorzitter Jan Schuring alles uit de kast gehaald om Sipman op andere gedachten te brengen. Voor Sipman was dat te veel. Ze stapt op en wil niets meer met de fractie te maken hebben. En om te voorkomen dat ze de rest van de periode er als fractie alleen voor staat, sluit ze zich aan bij de VVD.

Natuurlijk is het aan Sipman zelf om te besluiten wat ze met haar zetel doet. De Pavlov-reactie ‘zetelroof!’ van haar voormalige fractiegenoten is staatsrechtelijke kolder. Met de uitspraak van de kiezer in haar kontzak, is Sipman immers zonder last tot lid van de gemeenteraad gekozen. Ze heeft daarmee, zoals dat dan heet, een vrij mandaat. Niemand mag haar stemgedrag beïnvloeden. Net zo goed als dat ze lekker zelf uitmaakt van welke fractie ze lid is, is het aan haarzelf te oordelen waar de D66-kiezer het meest mee is geholpen: het steunen van de coalitie óf het politieke lot van wethouder Kolkman bezegelen.

Toch knaagt het.

Met haar overstap naar de VVD doet Sipman het voorkomen alsof er inhoudelijk iets is veranderd. Alsof D66 bijvoorbeeld het eigen verkiezingsprogramma niet meer nakomt of er een politieke kwestie is waardoor Sipman’s eigen mening is veranderd. Maar dat is niet zo. ‘Ik blijf actief voor Deventer met dezelfde aandachtsgebieden als bij D66,’ zegt ze tegen de Stentor.

Voor de kiezer is dat verwarrend. Ze doet alsof er geen verschillen zijn tussen de Deventer D66 en de VVD, terwijl één blik op de verkiezingsprogramma’s genoeg is om het tegenovergestelde te beweren.
Logischer is wanneer Sipman de samenwerking met de fractie had opgezegd en als zelfstandige D66-fractie haar raadsperiode voortzet, met alle ondersteuning die daarbij hoort.

Sipman kan met haar kiezersmandaat immers net zo veel aanspraak maken op de naam D66 als de andere gekozenen op de kieslijst. Hoeveel stemmen ze daar persoonlijk bij haalde, is dan niet eens relevant. Door Sipman op de lijst te plaatsen heeft D66 haar zélf de verantwoordelijkheid gegeven de kiezer te vertegenwoordigen. Dat vertrouwen is, nu Sipman via de kieslijst in de raad is gekomen, onherroepelijk.

Dat de Deventer raad dan getooid is met twee fracties van dezelfde politieke kleur is volgens mij makkelijker uit te leggen dan krampachtig partij-affiliatie boven de inhoud plaatsen — en politiek voor te spiegelen als een spelletje over macht in plaats van een goed gesprek over de inhoud.

Dit artikel verscheen eerst in Binnenlands Bestuur.

‘Voorzitter, ik wil toch ook wat vragen.’ Marjo Molengraaf (ChristenUnie/SGP) heeft zich niet aangemeld voor het vragenhalfuurtje van de raad. ‘Uiteraard!’ antwoordt de gemoedelijke burgemeester Reinie Melissant. ‘Ik vraag me af of wij nog de portefeuilleverdeling van het college krijgen.’

De wethouders zijn al sinds bijna een maand in functie, maar behalve een voorzichtige schets heeft de raad nog niet kunnen vernemen wie wat doet. ‘We zijn ook geïnteresseerd in wie er in de besturen van de gemeenschappelijke regelingen zit.’ Bizar natuurlijk, dat een raad na een bijna volle maand nog niet weet hoe het college de taken heeft verdeeld. En het is niet eens de enige aanwijzing dat de samenwerking tussen de raad en college in de gemeente Gorinchem deze periode nog moet groeien.

Een van de dingen die de Gorinchemse raad vanavond bespreekt, zijn de jaarstukken. Met dit overzicht presenteert het college de resultaten van het gevoerde beleid. In dit geval, de eerste keer na de gemeenteraadsverkiezingen, betreft dat het beleid van het vorige college.

‘We blikken terug op wat we hadden afgesproken, wat we hebben gedaan en wat het heeft gekost,’ legt Ilhan Tekir (D66) als eerste uit. Volgens Tekir is het terugblikken essentieel om vooruit te kijken. ‘Onze bijdrage is bedoeld om het college keuzes mee te geven voor de perspectiefnota.’

Zo’n perspectiefnota is, zeg maar, een blauwdruk van de gemeentebegroting. Normaal gesproken wordt zo’n nota al voor de zomer opgesteld (in sommige gemeenten heet het de voorjaarsnota) zodat het college alvast met de raad erover kan brainstormen wat er in de echte begroting moet staan.

Met de collegewissel heeft men in Gorinchem bedacht dat het een goed idee is om de perspectiefnota uit te stellen. Zo kunnen er nog ideeën uit het coalitie-akkoord worden opgenomen. En ideeën uit de raad dus, vindt Tekir.

De D66’er vindt dat deze jaarrekening vooral laat zien dat er te weinig gebeurt. ‘Er is ruimte om te investeren.’ Renate van Maaren (Stadsbelang) is het daarmee eens. ‘De uitvoering op beleidsnota’s is in de afgelopen jaren gedeeltelijk blijven liggen,’ weet Van Maaren.  ‘Als je vermogen versneld groeit door het beperkt uitvoeren van beleid, moet je je als inwoner, partij én raad afvragen of je wel op de juiste wijze begroot,’ vindt ze. ‘Binnen zwemt Dagobert Duck in z’n geldpakhuis terwijl er buiten nog veel moet gebeuren,’ valt Jack Oostrum (PvdA) haar bij. ‘Als we zo veel geld over hebben komt bij mij ook het idee op dat we bank aan het spelen zijn,’ vindt ook Lennert Onvlee (CDA).

Een heldere boodschap. Toch heeft het college een buitensporig halfuur schorsing nodig om deze op zich in te laten werken. Nadat half uur komen de bestuurders met beschouwingen en technische details waar volgens mij geen raadslid om had gevraagd. En de belofte dat met de perspectiefnota het college pas écht met beleidsvoornemens komt.

Waarschijnlijk hadden de bestuurders nog niet voorzien dat met een jaarrekening op de agenda, de gemeenteraad al over toekomstig beleid zou beginnen — en doet wat een raad hoort te doen, zonder dat het bewuste stuk ervoor op de agenda staat.

Eigenlijk is dat ook weer een geruststellende gedachte. Ongeacht wat het college de politieke arena inwerpt, de gemeenteraad van Gorinchem doet toch wel zijn kaderstellende werk. Pas bij de perspectiefnota, en in het najaar natuurlijk bij de begroting leren we of de nieuwbakken collegeleden die handschoen ook zo oppakken. Zo ja, zou dit wel eens een bloeiende periode kunnen worden. Zo nee… ik wil er maar niet aan denken.

Deze column verscheen op 24 juni 2018 bij Binnenlands Bestuur.

De Mystery Burger zit elke week op een willekeurige publieke tribune bij een gemeente of provincie. Elke maandag doet hij in Binnenlands Bestuur verslag van de kwaliteit van de besluitvorming en het overleg. Donderdags verschijnt de column ook als nieuwsbrief via Substack — met extra reflecties en tips voor raadsleden, burgemeesters, voorzitters en griffiers.Wil je de column mét tips wekelijks in je inbox? Abonneer je dan hier.

We hebben allemaal wel een plek waar we nooit zouden willen wonen. Maar wanneer een kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen zegt dat ze liever niet binnen de gemeentegrenzen wil wonen, is er toch iets meer aan de hand.

Het is wel wat Ingrid Voncken, lijsttrekker voor het CDA in Sint Anthonis, zegt. Vorige maand maakte de lokale afdeling van de christendemocraten daar bekend dat zij de eerste positie op de kieslijst aan Voncken hebben gegund. Ze is er sinds eind 2015 wethouder. In die twee jaar is ze niet verhuisd naar haar nieuwe werkplaats maar in Gennep blijven wonen. De raad heeft tot nu toe altijd een oogje toegeknepen en haar uitstel op de gemeentewettelijke verhuisverplichting verleend.

Nu ze kandidaat-raadslid is, peinst Voncken er nog stééds niet over om naar Sint Anthonis te verhuizen. ‘Ik wil nadenken over een verhuizing als ik opnieuw wethouder kan worden,’ zei ze tegen De Gelderlander. Heel veel enthousiasme voor het dorp druipt daar nou niet van af.

Het wordt nog gekker wanneer ze in het vraaggesprek ook nog eens aangeeft eigenlijk niet eens voor de raad beschikbaar zijn. ‘Als ik geen wethouder kan worden, eindigt voor mij het avontuur Sint Anthonis,’ laat ze in hetzelfde interview optekenen. Voncken is niet de eerste of de enige die bovenaan de gemeentelijke kandidatenlijst prijkt met als enige motief wethouder te worden. Te vaak worden kiezers opgescheept met kandidaten die eigenlijk niet geïnteresseerd zijn om deel te uit gaan maken van de volksvertegenwoordiging.

Dat is gek. Voor het wethouderschap is het niet nodig je voor de raad te kandideren. Nergens in de Kies- of Gemeentewet staat dat wethouders lid van of kandidaat voor de gemeenteraad moeten zijn geweest. Het hebben van een politiek bestuurlijke functie vraagt immers andere competenties dan het zijn van volksvertegenwoordiger. Rasbestuurders als Job Cohen en Jozias van Aartsen kwamen maar wat ongemakkelijk over toen ze het andere ambt probeerden. Gemeentelijke kiezers verdienen kandidaten die klaar zijn voor het ambt — of het op z’n minst ambiëren. Wanneer men komende maart naar de stembus gaat, doen zij dat om 7 tot 45 collega-burgers uit te zoeken die namens hen het politieke debat gaan voeren en daarmee het lokaal beleid vorm geven.

Door een kandidaat-wethouder bovenaan de lijst te zetten schoffeert het CDA in Sint Anthonis de manier waarop we onze vertegenwoordigende democratie hebben ingericht. Dat zegt: eerst het debat, dan de wethouder. Deze kieslijst beweert het tegenovergestelde; alsof de wethouder haar kandidaten meeneemt naar de raad in plaats van omgekeerd. In feite zegt het CDA daar dat deel uitmaken van de macht voor hen belangrijker is dan democratie.

Voor de kiezer die het democratisch bestuur van de gemeente serieus neemt, rest er maar één logische weg. Stem níet op kandidaatswethouders en – wanneer u in Sint-Anthonis woont – stem niet op mevrouw Voncken. Het hoeft een stem op het CDA niet in de weg te staan. De overige kandidaten op de lijst lijken me kundig en betrokken. Dat zou nog eens een keuze zijn. Een keuze voor democratie — in plaats van op baantjesjagers die zich onder valse voorwendselen op kieslijsten laten plaatsen.

Bijna de helft van de burgers móet met de handen voor het gezicht aan de ontbijttafel hebben gezeten. Met nog geen 150 dagen voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen (en daags na de stembusgang in zes herindelingsgemeenten) lezen we dat het in vijftig procent van de raden hommeles is (Trouw, 28 november). Niet alleen is die rapportage kort door de bocht, er is ook nog eens niks mis met die ruwheid.

In de afgelopen zes jaar zag ik alleen al voor mijn column in vakblad Binnenlands Bestuur meer dan 300 gemeenteraden en op één na alle Provinciale Staten vergaderen. Ja, het kan er in de gemeentelijke politiek soms hardhandig aan toe gaan. Maar wat hoogleraar Korsten (en sommige andere bestuurskundigen) maar niet lijken te begrijpen, is dat die ruwheid hóórt bij de politiek.

Ik geef graag het voorbeeld van een volstrekt rommelig verlopen vergadering in Noordoostpolder. De raad vergaderde die avond over een volledig uit de hand gelopen inspraakavond over ondergrondse containers. De wethouder, die de avond om boosheid van burgers eerder moest verlaten, werd de oren gewassen. Het was een stevige vergadering waar fracties elkaar niet spaarden. Juist omdat de politici ook elkaar aanpakten, gaven ze gehoor aan de emoties die op de publieke tribune leefden. Je voelde dat mensen door de ruwte van de vergadering tot rust kwamen.

Zoveel anders was een vergadering in Tiel. Er was lekkage geweest bij een chemisch bedrijf en de hulpdiensten kwamen wat laat in beweging. De onvrede en bezorgdheid waarmee burgers naar de raadzaal togen, is voor te stellen. Helaas werd hun een bestuurlijk nette vergadering voorgeschoteld. Op de publieke tribune voelde je mensen bozer en bozer worden; ze verlieten met rode hoofden het gemeentehuis.

Morsig

Het politieke debat hoort een beetje… morsig te zijn. Zo krijgen wij, burgers, het idee dat onze emoties óók legitiem zijn. Het is juist gebaat bij oplopende meningsverschillen. In Rotterdam verliep het vóór 2002 allemaal binnen de lijntjes. En de stad broeide van onvrede. De luidruchtige komst van Leefbaar was disruptief, maar er werd wél weer gedebatteerd. Mensen durfden emoties te tonen en werden eerlijker dan ze ooit konden zijn. Loopt dat weleens uit de hand? Zeker. Botsingen tussen prominent Leefbaar-raadslid Tanya Hoogwerf en de voorman van de door de islam geïnspireerde partij Nida, Nourdin el Ouali zijn nét niet orde van de dag. Na een debat over oplopende huurschulden viel een wethouder GroenLinkser Judith Bokhove bijkans aan.

Let wel: niet alleen op de islam of crises botsen fracties: over het Centraal Station was ruzie en over ‘de nieuwe Kuip’. Maar me dunkt dat deze twee belangrijke projecten alleen maar beter uit die strijd zijn gekomen. Alles bij elkaar opgeteld, ligt Rotterdam er op dit moment een stuk beter bij dan twintig jaar geleden. Hoe onfraai het soms was om naar te kijken, het politieke debat – de openhartigheid en dus ruwheid ervan – heeft dat mede mogelijk gemaakt.

Ik maak me meer zorgen in rustige raden waar ieder zijn technische zegje doet, dan wanneer er in tweede termijn met stoelen wordt gesmeten.

Ik maak me meer zorgen in rustige raden waar ieder zijn technische zegje doet, dan wanneer er in tweede termijn met stoelen wordt gesmeten. Korsten lijkt dat niet te begrijpen. Ja, het loopt weleens uit de pas. En als je al die momenten optelt, ontstaat er snel een ontluisterend beeld. Je moet dan ook naar de hele periode kijken. Het is niet vier jaar alleen maar rumoerig en ruzie.

Geen normale werkvloer

Ten tweede, het lijkt niet te voorkomen dat het weleens uit de hand loopt. Ze zeggen dat iedere relatie ruzie nodig heeft en dat is voor politiek misschien niet anders. Net als bij een huwelijk, moet je een raad niet afrekenen op hoe vaak de leden ruzie hebben, maar hoe vaak ze er weer uit komen. In dat opzicht word ik haast blij van de feiten zoals Korsten ze presenteert. Gefeliciteerd: uw raadsleden hebben ruzie, en ze komen er zó vaak ook weer uit.

Natuurlijk is het niet fraai om te zien, en op menig werkvloer volstrekt ongewenst. Maar de politiek ís geen normale werkvloer. De vertegenwoordigende democratie zorgt ervoor dat we vrijelijk mogen praten over zaken die we belangrijk vinden. Waar we ons verstand, maar ook ons hart moeten laten spreken. Waar we bóós over worden als het wordt aangetast. Juist daarom is het een van de meest kostbare dingen die we hebben en meer dan de moeite waard om het voor te blijven opnemen.

Er was een tijd, dat de burgemeester alle aanzien had. De archetypische burgervader – gedistingeerd streepjespak, snor en ambtsketen – leek haast zélf het hoogste orgaan. Inmiddels is er wel wat veranderd in maatschappelijk en bestuurlijk Nederland, maar de plaats van de burgemeester is nog steeds een bijzondere.

In het boek Orde in de openbare orde onderzoeken zes bestuurswetenschappers onder leiding van de Utrechtse hoogleraar Henk Kummeling het belangrijkste instrumentarium uit het burgemeesterlijke takenpakket met betrekking tot de openbare orde en veiligheid.

De mogelijkheden van de burgervader zijn immers ongewoon. Als functionaris boven de partijen kan hij, bij wijze van spreken, als judge, jury and executioner optreden. Die mogelijkheden zijn de laatste jaren alleen maar groter geworden. Het preventief fouilleren, het sluiten van drugpanden en het ophangen van camera’s zijn allemaal nieuwe mogelijkheden die bij elke evaluatie de discussie over potentieel schending van grondrechten doen oplaaien.

Voor het angstzweet u uitbreekt, helemaal de vrije hand heeft de eerste burger ook weer niet. De praktijk van opgelegde overlegstructuren met de officier van justitie en korpschef en de aanwijzingen van die de gemeenteraad hoort te geven, beperken de zijn macht aanzienlijk, leggen de auteurs uit. Maar de belangrijkste beveiliging voor machtsmisbruik blijkt de bijzonderheid van de middelen zelf te zijn. De onderzoekers concluderen dat de weinig scherp omschreven mogelijke aanleidingen voor een burgemeestersoptreden de sterkte én de zwakte van het instrumentarium is.

Dat de wet nauwelijks uitspraken doet over wat ‘openbare orde’ nu precies is, geeft de burgemeester dan wel ruime discretionaire bevoegdheid om daar zelf een interpretatie aan te geven maar noopt tegelijkertijd de bestuurders tot voorzichtigheid. Als de burgemeester een al een poldersheriff is, is het wel een voorzichtige. De auteurs tonen hoe kwetsbaar de burgemeestersbevoegdheden zijn, wanneer ze buiten de politieke luwte gehanteerd zouden kunnen worden. Het a-politieke optreden maakt de instrumenten sterk in plaats van kwetsbaar.

Wellicht zonder het te willen, dragen de auteurs een flink steentje bij in het debat over de politiek onafhankelijke positie die de burgemeester nú inneemt — of dat wellicht zou moeten veranderen. Helemaal ontijdig komt dat niet. De geruchten dat de nieuw te vormen regering de wens een gekozen burgemeesterschap in te voering in haar akkoord nemen alleen maar toe. En of die eventueel gekozen burgemeester zijn feitelijk verregaande mogelijkheden ook later moet behouden, is hopelijk een debat dat we voor die ingrijpende verandering gaan voeren.

Orde in de openbare orde, Hansko Broeksteeg, Rian de Jong, Henk Kummeling, en anderen Wolters Kluwer 418 pagina’s ISBN 9789013144093

Dit artikel verscheen eerst in Binnenlands Bestuur.