Nee, gemeenten hebben geen ‘spaarcenten’

Na jaren van overleg, protest, beklag, een vuist op tafel van toenmalig VNG-voorzitter Jan van Zanen, arbitrage en demonstrerende wethouders Financiën op het Malieveld is de financiële situatie van gemeenten er niet beter op geworden. Integendeel. Zelfs de VNG pleit er nu voor dat gemeenten dan maar geen sluitende begroting inleveren.

Het is de hoogleraren Raymond Gradus en Tjerk Budding ook opgevallen, getuige hun opiniebijdrage vorige week in deze krant (FD, 10 april). Zij betogen dat gemeenten hun spaargeld moeten aanspreken om de jaarlijkse financiële tekorten tegen te gaan. Dat is niet alleen geen oplossing; het is zelfs adding insult to injury.

Griffe graaiers

Het is te gortig om gemeenten weg te zetten als griffe graaiers van gemeenschapsgeld. Helaas komt de nijpende financiële situatie van gemeenten niet bepaald uit de lucht vallen. Zonder structureel ingrijpen staan we aan de vooravond van een onbedoelde maar catastrofale verschraling van de publieke dienstverlening op lokaal niveau. Dat merken we straks allemaal in slecht onderhouden wegen, verstopte riolen, gesloten zwembaden en bibliotheken, nóg langere wachtlijsten voor jeugdhulp en Wmo, rotte schoolgebouwen en woekerend groen.

Betogen dat gemeenten niet hun steentje bijdragen aan noodzakelijke bezuinigingen is onheus. Budding en Gradus gaan in hun bijdrage voorbij aan het feit dat het gemeentefonds – waarvan elke gemeentebudget tot wel driekwart afhankelijk is – al decennialang de sluitpost van de rijksbegroting is.

Al zeker sinds 2002 miskent het Rijk consequent de regel dat elke nieuwe taak voor gemeenten ook adequaat gefinancierd moet worden. Voorbeelden zijn te zien bij de uitvoering van de jeugdhulp en de maatschappelijke ondersteuning: gemeenten kregen openeinderegelingen overgedragen, met daarbij een korting van 25% op het budget. Ook het kabinet-Rutte IV kort weer €500 mln extra op het budget voor jeugdhulp, ondanks dat de verantwoordelijk staatssecretaris inmiddels zelf tegen is. De meest recente ontwikkeling is dat dit bedrag met een eigen bijdrage – te innen door gemeenten – gevonden moet worden.

Een arbitragecommissie onder leiding van staatsraad en huidig informateur Richard van Zwol oordeelde al in 2021 dat gemeenten structureel €6 mrd te weinig van het Rijk hadden ontvangen voor de jeugdzorg – en de komende jaren komen ze miljarden te kort. Het oordeel leidde nog nauwelijks tot bijbetaling, laat staan herstel.

Nooit uitgevoerd

Gemeenten moeten echter óók bloeden voor beleid dat nooit is uitgevoerd. Ze worden sinds 2015 gekort op hun budget, vanuit de onbewezen gedachte dat gefuseerde gemeenten minder geld nodig hebben. En hoewel die verplichte fusies er (gelukkig) nooit zijn gekomen, bleef deze korting – tot nog toe – bestaan.
Daarbovenop wijzigt het Rijk – eenzijdig – de voedingsgrondslag voor het gemeentefonds; jargon voor ‘u krijgt minder geld voor dezelfde taken’. Hierdoor zijn gemeenten angstig geworden structurele verplichtingen aan te gaan en legden ze reserves aan voor beleid dat wél nog moet worden uitgevoerd.

Personeelstekorten, die iedereen ervaart, helpen ook niet om dat geld uit te geven. Dit kabinet zet met de deze week verschenen Voorjaarsnota voorzichtig een eerste stap; genoeg is het zeker niet. Er is maar een échte oplossing: gemeenten moeten van het Rijk adequate budgetten krijgen voor hun taken, naast een correctie om de opgebouwde achterstanden te herstellen. Dat is niet alleen verstandig, het is ook fatsoenlijk.

John Bijl is directeur van het Periklesinstituut, Michiel van der Eng is als trainer aan het instituut verbonden. Het Periklesinstituut verzorgt trainingen voor raadsleden en wethouders.

Dit artikel verscheen eerst op 18 april 2024 bij het Financieel Dagblad.

De nét herkozen Freek Jansen (FvD) vertrekt deze week als Kamerlid. Nog geen 8 weken was hij lid. Maar kiezers, niet getreurd. ‘In zijn brief vertelt hij dat hij zijn zetel tijdelijk ter beschikking stelt’, las Kamervoorzitter Bosma bij zijn afscheid voor.

Jansens vertrek was al eerder aangekondigd. Partijleider Thierry Baudet meldde het al anderhalve week eerder in het eigen YouTube-programma Forum Inside. De partijleider, met kamerlid Jansen naast hem, legde uit dat Jansen vertrekt om plaats te maken voor zijn opvolger Pepijn van Houwelingen. Die zou ‘voor zes maanden’ zijn plaats innemen, om deel uit te kunnen maken van de enquêtecommissie over het regeringsbeleid tijdens de pandemie. ‘Je gaat ze daar helemaal gek maken’, zei Baudet tegen Van Houwelingen.

Kan dit zomaar? Het venijn zit in het woordje ‘tijdelijk’. Kamerleden kunnen natuurlijk opstappen. Zeker de laatste jaren gebeurt het maar al te vaak dat een Kamerlid zijn termijn niet afmaakt, meestal om een andere betrekking te vervullen. Maar zo’n vertrek is definitief. Een volksvertegenwoordiger kan de Kamer verlaten door ziekte of zwangerschap. Dat is inderdaad tijdelijk; de Kieswet heeft het mogelijk gemaakt dat voor een vaste periode van 16 weken dit lid door zijn opvolger op de kieslijst wordt vervangen. Daarna neemt het gekozen Kamerlid zijn zetel automatisch weer in.

Maar van ziekte – laat staan zwangerschap – is bij Jansen geen sprake. De enige manier waarop deze tijdelijkheid tot stand gekomen zou kunnen zijn, is wanneer Jansen en Van Houwelingen daar zélf afspraken over hebben gemaakt. Jansen moet dan Van Houwelingen hebben beloofd terug te treden als Kamerlid wanneer Van Houwelingen op zijn beurt toezegt na het afgesproken halfjaar weer uit de Kamer te vertrekken.

Ook in gemeenteraden komen deze onderhandse vervangingdeals weleens voor

Jansens ‘tijdelijke vervanging’ bestaat in ons kiesstelsel gewoon niet. En dat is niet voor niets.  Je kunt Kamerleden niet als voetballers ‘even’ wisselen omdat het de wedstrijd beter uitkomt. Met de verkiezingen hebben kiezers zich uitgesproken wie hen moet vertegenwoordigen. Kamerleden zijn geen personeel waarvan een partij, een fractie of zelfs het Kamerlid zelf kan bepalen dat iemand tijdelijk het klusje beter zou kunnen doen.

Zo’n onderhandse afspraak is tegen de geest van de wet, en misschien ook wel tegen de letter. Wanneer Van Houwelingen straks de eed of belofte aflegt, verklaart hij ‘om iets in dit ambt te doen of te laten’ geen ‘belofte [heeft] aangenomen of zal aannemen’. In de regel wordt daarbij aan een geldelijke afspraak of financieel gewin gedacht, niet per se de invloed of aandacht die Van Houwelingen ongetwijfeld krijgt. Toch wordt Van Houwelingen ook financieel beter van deze onderhandse afspraak. Zonder de toezegging terug te treden zou Van Houwelingen geen Kamerlid worden. Hij krijgt erdoor een halfjaar schadeloosstelling, twintig procent meer dan zijn huidige wachtgeld. Ook kan hij rekenen op een verlenging van zijn aanspraak op toekomstig wachtgeld. De ironie wil dat juist plaatsvervangers vanwege ziekte of zwangerschap géén aanspraak kunnen maken op wachtgeld; door de onderhandse afspraak kan Van Houwelingen dat wel. Door het halfjaar extra komt Van Houwelingen ineens in aanmerking voor de maximum wachtgeldperiode van 3 jaar en 2 maanden.

Bij elkaar houdt Van Houwelingen aan deze afspraak ruim 56 duizend euro over. Genoeg reden om in te grijpen. Door de Kamer zelf. Om geïnstalleerd te kunnen worden zal de Kamer Van Houwelingens zogeheten geloofsbrieven moeten controleren. De openbaar gemaakte afspraak zijn zetel weer op te geven zou goedkeuring van die geloofsbrieven in de weg moeten staan. Op z’n minst zou de Kamer een toelichting en een bevestiging moet vragen dat er niets is afgesproken over enig terugtreden, of Van Houwelingen direct een sanctie opleggen.

Eerlijk is eerlijk, Van Houwelingens deal is niet uniek. In 1977 maakte drie PvdA’ers een vergelijkbare afspraak. Ook in gemeenteraden komen deze onderhandse vervangingdeals weleens voor. Zo maakte een Haags raadslid eens plaats voor een lijstopvolger toen ze voor ziektevervanging zelf Kamerlid werd. Ze zou daarna als raadslid terugkeren. De studentenpartijen in Groningen, Delft en Utrecht kennen de onwettige afspraak dat de gekozen raadsleden na twee jaar ‘vrijwillig’ het veld ruimten voor hun opvolgers. Meerdere partijen kennen niet te handhaven clausules dat de zetel moet worden opgegeven wanneer het Kamerlid om wat voor reden dan ook de fractie verlaat. Ook elke gemeentelijke of provinciale commissie geloofsbrieven zou kandidaatsstellingsformulieren moeten controleren op afspraken die met de ambtseed in de knel komen.

Dat deze voorvallen tot nu toe zijn gedoogd zijn ook niet goed uit te leggen. Niet in de gemeente, en niet in de Kamer. Dat de FvD-fractie met deze brutale overtreding van democratische principes Kamerleden met willekeur vervangt, is een prima aanleiding om er strenger in te worden. En onjuridische afspraken om tot het ambt te komen als sta-in-de-weg voor een benoeming te zien. Regels veranderen is er niet voor nodig, ze handhaven is genoeg.

Dit artikel verscheen eerst in Binnenlands Bestuur.

Om het vertrek van Wopke Hoekstra op te vangen verhuist minister Hanke Bruins-Slot van Binnenlandse Zaken (BZK) naar het departement van Buitenlandse Zaken. De toch al te drukke minster Hugo de Jonge neemt naast zijn eigen Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening haar portefeuille over. Hij krijgt open overheid, de verkiezingen én de zorg voor gemeenten erbij.

Logischer was wellicht om de staatssecretaris op dat departement te vragen ‘door te schuiven’. Maar vermoedelijk wilde het CDA-smaldeel er niet aan om deze ministerspost aan D66’er Alexandra van Huffelen over te laten. En dus mag De Jonge BZK ‘erbij’ gaan doen. Maar de portefeuille van De Jonge bevat woningbouw en de Omgevingswet. Beide zijn grote en complexe dossiers waar veel politieke en bestuurlijke aandacht voor nodig is.

De minister is al druk, terwijl er op BZK genoeg moet gebeuren, vooral voor gemeenten. Door alle decentralisaties en rijksbezuinigingen loopt het gemeenten bestuurlijk en financieel over de schoenen.

Gemeenten hebben de komende jaren miljarden tekort. Nu al is helder dat gemeenten in 2026 gezamenlijk drie miljard tekort komen. Vanwege een herschikking van het Gemeentefonds waar het kabinet maar niet over besluit. Op jeugdzorg oordeelde een rechter in arbitrage dat gemeenten jaarlijks ruim anderhalf miljard tekort komen. Gemeenten durven nu al haast geen meerjaarlijkse plannen te maken.

Ziet het kabinet die zorgen? Met weer een wissel komt het niet zo over. In elk van de kabinetten-Rutte werd de minister van BZK al tussentijds vervangen. De Jonge is maar liefst de zevende minister in tien jaar tijd. Hoewel BZK vanwege de coördinerende en faciliterende rol voor lokale overheden weleens het ‘moederdepartement’ wordt genoemd, druipt de moederliefde er niet vanaf.

Dit artikel verscheen eerst in NRC.

Het lijkt een leuk grapje. ‘RoodGroen laat het verkiezingsprogramma wel gewoon doorrekenen door het CPB,’ meldde gefingeerd Kamerlid Mira Ornstein op X (voorheen Twitter). ‘Sterker nog,’ schreef ze, ‘we hebben vorig jaar al gevraagd wat we in moeten vullen voor de beste uitkomst.’

De fictieve politieke partij RoodGroen, met als voorvrouw Mira Ornstein, is een bedenksel van cabaretière Femke Lakerveld. Een persiflage, niet alleen op de maar al te echte samenwerking tussen GroenLinks en de PvdA, maar op z’n best op de hele politiek. En soms nodig, toen SP en BBB meldden hun programma niet te laten uitrekenen, leek de kritiek daarop zelf haast een karikatuur.

Programmadoorrekeningen zijn een service van het Centraal Plan Bureau. Het CPB ondersteunt de overheid door prognoses te maken. Over marktontwikkelingen, en de effecten van beleid. Sinds 1986 biedt het CPB ook die mogelijkheid aan politieke partijen. Ze rekenen uit wat de economische effecten zijn van hun verkiezingsprogramma’s. Sympathiek van het CPB en superhandig voor politieke partijen. Maar zoals als de meeste goede bedoelingen heeft het doorrekenen van een verkiezingsprogramma een keerzijde.

Allereerst zijn verkiezingsprogramma’s helemaal geen beleidsvoorstellen. Helaas presenteren politieke partijen hun programma’s alsof dat wel zo is. Kijk maar eens goed naar de formulering. De meeste verkiezingsprogramma’s zijn gek genoeg geschreven in de Voltooid Toekomende Tijd, terwijl op z’n mildst nog maar een idee is. ‘We versterken de kaders waarbinnen het bedrijfsleven moet werken,’ staat er in het laatste verkiezingsprogramma van D66, terwijl de onderhandelingen met VVD, CDA en ChristenUnie nog niet op het punt stonden te beginnen. Laat staan dat er een concreet beleidsvoorstel is waar andere fracties in de Tweede en Eerste Kamer ook nog iets over te zeggen hebben.

In een pluriforme en duale democratie als de onze wordt beleid pas na de verkiezingen geformuleerd. Eerst in een betrekkelijk vaag tot enorm vaag coalitieakkoord (het liefst op hoofdlijnen!) en daarna door de te benoemen ministers en staatssecretarissen in een regeringsverklaring.

Na die drie stappen is er vast nog wel iets te zien van de ideeën en idealen van een verkiezingsprogramma, maar van de doorrekening zie je zelden iets terug. Dingen veranderen in uitvoering, of vallen samen met andere doelstellingen van andere fracties. Zo gaat dat in een coalitiedemocratie.

Hoewel het door pers en politiek wel zo wordt gepresenteerd bieden de CPB-doorrekeningen de kiezer helemaal geen zekerheid. Verkiezingsprogramma’s geven onmisbare informatie waar politieke partijen voor staan en naar streven, maar in de loop van de geschiedenis is er nog nooit een partijprogramma een-op-een uitgevoerd. Niet totdat een partij bij de verkiezingen 76 zetels haalt.

Daar hoort bij dat verkiezingsprogramma’s an sich niet uit te rekenen zijn. Neem het zinnetje uit het programma van D66 hierboven, of deze van de VVD. ‘Vereenvoudigen en verruimen van de werkkostenregeling zodat mkb’ers meer in hun personeel kunnen investeren,’ schreven de liberalen. Elke econoom heeft meteen duizend vragen. Hoeveel vereenvoudigen? Op welke termijn? Hoe waarborg je dat?

En dat is precies wat het CPB doet. Nadat de verkiezingsprogramma’s zijn ingestuurd vindt er druk verkeer plaats tussen de economen en programmaschrijvers. Regelmatig wordt er dan aan de uitvoeringspassages gesleuteld om de plaatjes er beter uit te laten zien. Programmaschrijvers voegen nog een maatregel toe, of laten er een af, om er voor te zorgen dat het eindresultaat beter wordt. Niet in de laatste plaats om potsierlijk te doen als of de CPB-doorrekening een keurmerk is.

De gesprekken tussen de doorrekenaars en de partijen zorgen ervoor dat er iets door te rekenen valt, maar met iets wat niet in het verkiezingsprogramma stond. In die zin levert de CPB-doorrekening dus valse informatie. En het doet voorkomen dat een verkiezingsprogramma op één allerbeste manier kan worden gerealiseerd. Terwijl de beleidskeuzes die moeten worden gemaakt om bepaalde idealen te bereiken – duidelijke regels voor het mkb, meer investeren in personeel – op verschillende manieren kunnen worden bereikt. In dit geval zelfs op manieren die elkaar uitsluiten óf elkaar juist versterken.

Toegegeven, de doorrekeningen van het CPB bieden wel een realiteitstoets. Het voorkomt, plat gezegd, dat partijen gratis bier beloven — al hield de doorrekening niet tegen dat VVD-lijsttrekker Mark Rutte in 2012 tóch iedereen 1.000 euro beloofde. Maar juist deze discussie hoort niet in de op partijburelen met rekenmachientjes van het CPB te worden gevoerd, maar in het openbaar verkiezingsdebat. ‘Hoe dan?’ Is een fantastische vraag aan een politicus. Nog een betere is ‘Waarom?’. En een stuk interessanter dan het wedstrijdje wanneer de programma’s langs de liniaal van het CPB zijn gelegd.

Verkiezingsprogramma’s zijn op hun eerlijkst wanneer ze een stapel moties zijn; ze beschrijven de gewenste bestemming, niet de uit te zetten koers. Laat dus ook de CPB-berekeningen maar voor wat ze zijn: een advies aan partijen, zonder ze te publiceren. Zodat de verkiezingen zich kunnen concentreren op politiek in plaats van minutieuze uitvoerbaarheid. En niet onbelangrijk: recht doen aan onze parlementaire politiek en het duale stelsel.

Een versie van dit artikel verscheen op 16 augustus 2023 op Binnenlands Bestuur.

Er zijn verkiezingsfilmpjes die raken, verrassen of prikkelen. De nieuwste campagnevideo van de Rotterdamse VVD doet iets anders: hij wekt verwarring. In de film wordt lijsttrekker Vincent Karremans opgevoerd als een soort politieke Batman. Hij vecht zich een weg door een verduisterd Rotterdam, springt door plassen, plukt kogels uit de lucht en krijgt steun van oud-burgemeester Ivo Opstelten. De boodschap: deze man gaat het oplossen.

Mooie shots, goed licht. De muziek is vlak — een consonantje had niet misstaan. De vlotte, straattalige voice-over past niet bij de gedragen beelden. Cinematografisch is het indrukwekkend. Maar politiek gezien is het misplaatst.

Van raadslid tot redder

Alsof hij kandidaat is voor het héle gemeentebestuur, als een soort rechtstreeks gekozen gemeente-president, doet Karremans in het filmpje voorkomen ‘alsof hij het even gaat fixen’. Alsof hij zich niet zozeer verkiesbaar stelt voor de gemeenteraad, maar voor iets hogers — een soort direct gekozen burgemeester, of liever nog: een gemeente-president. Iemand die in zijn eentje de problemen van de stad te lijf gaat. Dat klinkt krachtig, maar het mist de kern van lokale democratie.

Politiek bedrijven is in een democratie namelijk een groepsactiviteit. Democratische politiek is vooral: met elkaar van mening verschillen. Dat doe je niet in je eentje. De afgelopen vier jaar had Karremans om de stad te besturen zijn meer ervaren fractiegenoten maar al te hard nodig. Én zeker ook de andere leden van de raad. Een gemeenteraad is geen podium voor solisten. Het is een beraad: een plek waar meningen botsen, belangen worden gewogen en besluiten tot stand komen in samenspel met anderen. Daarnaast: raadsleden zijn niet verkozen om ‘problemen op te lossen’, maar om te bepalen welke problemen prioriteit krijgen, en onder welke voorwaarden oplossingen acceptabel zijn. De uitvoering is vervolgens aan het college en de ambtelijke organisatie.

Door de raad te presenteren als springplank voor persoonlijke daadkracht, wordt het ambt van volksvertegenwoordiger niet verheerlijkt, maar verkleind.

Verkeerde rolverdeling

Op inhoud valt er bovendien weinig te ontdekken. Voor iemand die zich presenteert als ‘probleemoplosser’, zitten er in de film verrassend weinig voorstellen voor oplossingen. Wel veel beelden. Veel bravoure. En aan het eind een opvallende scène waarin oud-burgemeester Ivo Opstelten hem aanspreekt als ‘loco-burgemeester’.

Dat slaat nergens op. Ten eerste is ‘loco-burgmeester’ geen titel. Het betekent alleen dat je de burgemeester vervangt als die afwezig is. Op de stadhuistrappen in plassen springen zoals in het filmpje lijkt me geen overdraagbare burgemeesterstaak. In de praktijk zijn dat doorgaans de wethouders, op basis van een roulatieschema. Elke wethouder kan loco zijn. Sterker nog: zelfs raadsleden kunnen in uitzonderlijke gevallen aangewezen worden. Het is geen exclusieve rol, laat staan een campagnetroef.

De schaduw van het heldendom

Karremans zet zich in het filmpje af tegen politici ‘die heel hun leven op het stadhuis achter een bureau zitten’. Pijnlijk. Raadsleden vergaderen gemiddeld twintig uur per week. Daarmee creëren ze een gezamenlijke afweging — dat is de essentie van democratie. En precies dat besef ontbreekt in de film. Er wordt gesuggereerd dat je met daadkracht, beelden en persoonlijke overtuiging de stad bestuurt. Maar dat is geen gemeentepolitiek. Dat is een campagne in presidentsstijl, en dat past niet binnen ons democratisch landschap.

Karremans zou beter moeten weten waar hij kandidaat voor is: voor de gemeenteraad. Om met anderen het debat aan te gaan. Jammer. Hij heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij meer in huis heeft dan deze semi-presidentiële persoonsverheerlijking.

Verkiezingscampagnes zijn bedoeld om kiezers te overtuigen — niet om hen op het verkeerde been te zetten. Door te suggereren dat de democratie werkt als een videogame — kies een held, en de rest komt vanzelf goed — wordt het collectieve karakter van besluitvorming ondergraven.

De gemeenteraad is het hoogste orgaan van de gemeente, niet de individuele wethouder of fractievoorzitter. Wie zich daarvoor kandidaat stelt, doet er goed aan zich als teamspeler op te stellen. Karremans heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij dat kan. Des te jammerder is het dat hij nu kiest voor bombast boven bescheidenheid.

Politiek begint met weten waarvoor je staat

Dit filmpje zal niemand op andere gedachten brengen. Het bevestigt vooral wat eigen kiezers al dachten, maar overtuigt de twijfelaar niet. Veel verstandiger — en democratischer — was het geweest om te laten zien hoe Karremans als raadslid wil bijdragen aan het debat. Waar hij staat, met wie hij samenwerkt, en hoe hij het verschil maakt tussen praten en besluiten.

Want politiek is geen heldenverhaal. Het is werk. En goed werk begint met weten voor welke rol je solliciteert.

Raadsleden zijn maar rare wezens. De komende campagne doen ze hun best om uw stem te winnen om in de gemeenteraad te komen. Want de problemen zijn groot, maar de meningsverschillen er over zo nog groter. En de kandidaten die u uw stem geeft gaan hard aan het werk om daar over te debatteren.

Bij PvdA-lijsttrekker Floor Roduner ligt dat anders. In een interview met deze krant liet hij zich ontvallen helemaal niet beschikbaar te zijn voor de gemeenteraad. Hij wil weer wethouder worden.

Dat is gek. Bij de komende verkiezingen kiezen we raadsleden, geen kandidaat-wethouders. Om in aanmerking te komen voor het wethouderschap hóeft Roduner niet op de kieslijst te staan. Pas na de verkiezingen zoekt die nieuw geïnstalleerde gemeenteraad wethouders aan, toen de D66-fractie Botter voordroeg als wethouder had deze ook niet op de kieslijst gestaan.

De gedachte erachter is dat in een democratie de raad de baas is. Logisch, want in een democratie heeft de volksvertegenwoordiging het eerste én het laatste woord. Roduners ‘kandidatuur’ voor het wethouderschap doet het voorkomen alsof de kieslijst de bijwagen is voor de wethouder. Dat klopt niet: u stemt bij de raadsverkiezingen niet op ‘de wethouder en zijn team’ maar op een groep volksvertegenwoordigers.

Daarbij is het niet de PvdA-fractie die bepaalt wie er wethouder wordt. Wethouders worden gekozen door de héle raad. Een kandidaat moet dus niet alleen de steun hebben van zijn eigen fractie, maar ook door tenminste de helft-plus-een van de raad worden geaccepteerd. Ik vraag me af op de PvdA coalitiedeelname af laat hangen van het wethouderschap van Roduner. Zo ja, is het vuige poppetjespolitiek die de sociaaldemocraten niet siert en geen recht doet aan het mandaat wat kiezers aan PvdA-kandidaten heeft willen geven.

Zelfs als een door de PvdA voorgedragen kandidaat wethouder wordt, zit deze er niet om ‘PvdA-beleid’ uit te voeren. Het college voert een opdracht uit namens de raad. Een wethouder mag zich dan wel PvdA’er voelen, maar doen als of hij namens één raadsfractie of partij beleid uitvoert is een aanstotelijke karikatuur van de parlementaire democratie.

Maar vooral moreel-ethisch is het volstrekt onverantwoord om een stem op Roduner uit te brengen. Zelf wil hij het raadswerk niet uitvoeren, dus een kiezer moet wel van bijzonder sadistische aard zijn om zijn stemgerechtigheid op te offeren om Roduner een verantwoordelijkheid te geven die hij zelf niet wil dragen.

Waarschijnlijk probeert de PvdA zo publicitair een extra krentje uit de ruif te pikken, maar feitelijk is het misbruik maken van het wethouderschap. Ten koste van de gemeenteraad.

Het kan zijn dat Roduner het allemaal niet zo bedoeld heeft. Hij heeft tot 31 januari de tijd om zich terug te trekken als kandidaat raadslid en samen met de PvdA’ers als kandidaat-wethouder de verkiezingen in te gaan. Dat is ook transparant, maar belangrijker nog: staatsrechtelijk zuiver.

Anders is de oplossing eenvoudig: niet stemmen op kandidaten die het raadswerk eigenlijk niet willen uitvoeren. Niet stemmen op Roduner. De PvdA heeft vast genoeg andere kandidaten op de kieslijst die wel graag de komende vier jaar samen met hun collega’s de als hoogste orgaan van de gemeente de Haarlemse bevolking willen vertegenwoordigen. Het is immers nobel en prijzenswaardig werk.

Dit artikel verscheen op 8 januari 2022 in het Haarlems Dagblad.

‘Ik ben blij dat we hier weer zijn,’ zegt burgemeester Annemieke van de Ven opgetogen. Sinds lange tijd zijn de raadsleden van Reusel-De Mierden weer in de échte raadszaal. ‘Het is in een virtuele vergadering niet altijd makkelijk om ook de non-verbale communicatie mee te krijgen,’ weet ze, ‘en die komt de discussie in de raad ten goede.’

Zo is Peter van Gompel (VVD) zichtbaar blij met het collegevoorstel een plan een vrijliggend fietspad aan de Sleutelstraat aan te leggen. In woord – ‘ik had een een feestmuts op willen zetten,’ zegt hij – maar ook in daad. Achter een webcam hadden zijn pretoogjes vast minder goed opgevallen. PvdA’er Fiona Bijl (geen familie) deelt in die vreugde, maar is niet gelukkig met de manier waarop het college de omwonenden heeft betrokken. ‘Ik vind het te zwak voor een motie, maar ik wil wel de toezegging dat er beter gecommuniceerd gaat worden,’ zegt ze streng.

‘Dit voorstel is ontstaan uit be-le-ving’ – hij spreekt het staccato uit – ‘van verkeersonveiligheid,’ zegt Peter van Gool (CDA). Hij wijst op een uitspraak van de wethouder dat eerdere tellingen geen aanleiding waren te twijfelen aan de verkeersveiligheid. ‘We moeten beleving serieus nemen, maar er hangt wel een prijskaartje aan.’

Van Gool vraagt zich af of dat nu eerlijk is gegaan. ‘Bij de N284 komt een veelvoud aan fietsers.’ Voor een plan daar een fietstunnel aan te leggen was alleen het CDA voor. ‘Het werd door de andere fracties als minder urgent ervaren,’ zegt Van Gool.

‘Ik zal direct effe reageren op de vragen,’ zegt Marc Lauwers (Samenwerking) meteen na zijn eigen termijn. ‘Wat was dat nou van het CDA?’ Van Gool drukt zijn microfoon weer in. ‘De relatie tussen het aantal fietsbewegingen bij dit fietspad en bij de N284.’

Nu begint iedereen in zijn stoel te schuifelen. ‘En wat is dan uw vraag? Of was het gewoon een opmerking?’ vraagt burgemeester Van de Ven. ‘Nou ja,’ zegt Van Gool, ‘men trekt hier de buidel en hoe zich dat verhoudt tot de N284.’ ‘Ik dacht dat het daar niet kon,’ denkt Lauwers, maar zo te zien is het voor hem ook gissen.

‘De communicatie is inderdaad onvoldoende geweest,’ erkent wethouder Peter van de Noort. Hij belooft Bijl beterschap. Zijn collega Frank Rombouts heeft voor de opmerking van Van Gool meer woorden nodig. ‘Er is een aantal redenen geweest om geen fietstunnel bij de N284 aan te leggen.’ Uitvoerig somt hij ze op – het bleek praktisch en financieel niet haalbaar. Dat is een reactie op van Gools vergelijking, en geen antwoord op zijn vraag.

‘Het is appels met peren vergelijken,’ zegt Van Gompel in zijn tweede termijn. ‘De vergelijking met de fietstunnel gaat volledig mank,’ vindt Bijl. De tunnel was niet haalbaar, leggen ze uit. ‘Het CDA was ook eerder voorstander van het vrijliggende fietspad,’ merkt Van Gompel verontwaardigd op. Maar opmerkingen over de realiseerbaarheid van een fietstunnel aan de N284, zeggen niets over de urgentie van een vrijliggend fietspad aan de Sleutelstraat. En hoe dat bijdraagt aan de verkeersveiligheid.

Al valt dat Van Gool zelf ook niet meer op. ‘Het CDA is nog steeds voor verkeersveiligheid,’ verdedigt hij. Zijn oorspronkelijke punt – wat is nou de wenselijkheid van het vrijliggende fietspad in het kader van ons hele verkeersveiligheidsbeleid – komt in de tweede termijn helemaal niet meer aan de orde.

Jammer, want daarmee had het nog duidelijker geweest waarom het fietspad zo belangrijk is en hoe het past in het hele verkeersveiligheidsbeleid. Nu ging alle aandacht naar de haalbaarheid van Van Gools’ fietstunnelvoorbeeld in plaats van een debat over de wenselijkheid van het vrije fietspad aan de Sleutelstraat. Al heeft van Gool door knullig gekozen bewoordingen vooral zichzelf in de wielen gereden.

Deze column verscheen op 4 oktober 2021 bij Binnenlands Bestuur.

De mystery burger zit elke week op een willekeurige publieke tribune bij een gemeente of provincie. Elke maandag doet hij in Binnenlands Bestuur verslag van de kwaliteit van de besluitvorming en het overleg. Donderdags verschijnt de column ook als nieuwsbrief via Substack — met extra reflecties en tips voor raadsleden, burgemeesters, voorzitters en griffiers.

Wil je de column mét tips wekelijks in je inbox? Abonneer je dan hier.

Vrij naar een uitspraak die Albert Einstein nooit deed, het is waanzinnig te denken dat de uitkomst van dezelfde soort gesprekken met steeds dezelfde mensen ineens anders zou zijn. Maar per saldo is informateur Johan Remkes precies hetzelfde aan het doen als zijn lange rij aan voorgangers.

Na een knullig ten einde gebrachte eerste fase met Ollongren en Jorritsma, was de conclusie van opvolgende informateurs steeds dezelfde. Er is brede overeenstemming over de inhoud, maar de personen vertrouwen elkaar niet genoeg. Ook na Remkes’ heiweekend op de Zwaluwberg lijkt er weinig veranderd. Er zijn ‘complexe besprekingen gevoerd’ liet de informateur weten, met veel ‘politieke pijn’.

Onrust over de voortgang is overal te merken. Vandaag presenteert de demissionaire regering een flinterdunne beleidsbegroting. De uitdaging is om er steun voor te krijgen. Tegelijkertijd zal elke fractie met politieke wensen wapperen; het zou wel eens de meest geamendeerde begroting ooit kunnen worden.

Ondertussen begint het koord aan Damocles’ zwaard – nieuwe verkiezingen – zichtbaar te rafelen. Voor de goede orde: dat levert niets op. Partijen zullen zo ongeveer dezelfde kieslijsten indienen en een leiderschapswissel zit er voor de meeste partijen niet in. Voor D66 en CDA zou dat een te grote verliesbeurt zijn. De anderen zien er vast geen aanleiding toe. En de VVD vindt het wel best. Rutte’s populariteit is misschien dalende, maar vooral bij de niet-VVD-stemmer. In peilingen stijgt de partij zelfs licht.

Numeriek zal er ook niets substantieel veranderen, het leidt zeker niet tot iets wat de formatie makkelijker maakt. Het CDA implodeert vast, maar ten faveure van wat? Een grotere BBB, met een groep Kamerleden die niemand kent? En stel dát Omtzigt mee zou doen, levert zijn gepeilde 15 zetels van een amalgaam aan pragmatisch dan wel rechtse politici een fractie op waar wel stabiliteit te vinden is? En dan nog: als het met de – toen nog – 15 zetels van het CDA nu ook al niet lukt, waarom wel met ‘Groep Omtzigt’? Ook zonder Omtzigt verandert er niet veel. De omvang van BVNL of JA21 neemt misschien toe, maar dat maakt hen hooguit grotere splinters. Als de programma’s van FvD en PVV niet veranderen, zal niemand er een coalitie mee willen vormen.

Dus ook na nieuwe verkiezingen start het hele circus van vooraf aan, met dezelfde startpositie. Misschien met een andere informateur, maar wel met dezelfde gesprekspartners. Als een Groundhog Day, waar alleen de hoofdrolspeler wijzigt, maar het publiek dagelijks de verder identieke film krijgt getoond.

Als er een uitweg uit deze dramatische impasse moet komen, moet hij worden gevonden in het hier en nu. Gelukkig zijn Remkes’ mogelijkheden groter dan hij zelf ziet. Zijn aanpak is vast gebaseerd op respect voor de huidige structuren van de macht, maar het is toch niet zo dat de kiezer alleen zijn huidige gesprekspartners heeft gekozen? Ja, Rutte, Kaag, Hoekstra, Ploumen en Klaver stonden boven aan hun kieslijsten, maar er zijn ook 145 andere Kamerleden gekozen. Ook bij de fracties waar eerstgenoemden deel van uit maken.

Ik zou zeggen: als niet de inhoud het probleem is, probeer het eens met andere personen. De komende begrotingsbehandelingen zijn een mooie auditie om op zoek te gaan naar de mensen die wél over de inhoud willen praten, in plaats ‘langs de lijnen’ ervan persoonsconfrontaties uit de weg te gaan.

De VVD schoof al Hermans naar voren. CDA’er Boswijk viel al op. Net als PvdA’er Piri en GroenLinker Bromet. Misschien luistert de Kamer meer naar onderwijswoordvoerder Van Meenen (D66). Zo ja, dan moet de informateur maar eens met hen als vertegenwoordigers van de fracties gaan praten. Zelfs in het slechtst denkbare geval kan Remkes dubbelblind bevestigen dat het probleem niet bij de inhoud, maar bij personen zit. En daarmee concluderen dat niet hele fracties, maar dan individuen moeten worden uitgesloten.

Deze column verscheen op 21 september eerst op Binnenlands Bestuur.

Het uitbrengen van je stem is er de laatste jaren niet makkelijker op geworden. Niet alleen is het soms moeilijk om door de oneliners de politieke standpunten te zien, ook campagnes lijken wel ellebogenraces om aandacht van de media. Het toenemende aantal politieke partijen helpt er niet bij. Voor de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen kon er gekozen worden uit maar liefst 37 kieslijsten, negen meer dan vier jaar ervoor. Maar ook in de gemeenteraden groeit het aantal fracties.

De groei van het aantal politieke partijen is gerelateerd aan de ontzuiling en individualisering van de laatste halve eeuw. Die zijn er mede de oorzaak van dat kiezers zich minder thuisvoelen bij grote volkspartijen. In 2002 haalde het CDA nog een comfortabele 43 zetels. De vier grootste fracties (CDA, LPF, VVD en PvdA) telden samen op tot 116 zetels. Op dit moment is alleen de VVD met 34 zetels een relatief grote fractie. De vier grootste halen net 60 procent van alle 150 Kamerzetels, en de verwachting is dat het percentage de komende jaren alleen maar daalt. Lokaal is het beeld niet anders. In Lelystad gunde de stemmer bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 maar liefst 14 partijen een plekje in de raad.

Het grote aantal partijen dat kennelijk hoort bij een pluriforme samenleving als de onze, heeft geleid tot nadenken over het stembiljet dat steeds groteskere vormen heeft aangenomen. Het leidt in het stemhokje tot verkiezingshandelingen waar alleen kiesgerechtigden met ervaring met papieren wegenkaarten in het voordeel zijn.

Foutengevoeliger

Bij wijze van proef wil het kabinet bij de herindelingsverkiezingen in november een experimenteel biljet inzetten. Het ontwerp lijkt verrassend veel op wat nu al gebruikt wordt door poststemmers. In plaats van één biljet met namen van kandidaten krijgt de kiezer nu de vraag twee vakjes rood te maken. De eerste is voor de keuze van de kieslijst, kek voorzien van een partijlogootje. Pas bij het tweede vakje wordt de daadwerkelijke stem uitgebracht. In een reeks van nummertjes 1 tot en met 50 geeft de kiezer daar pas aan naar wie zijn stem gaat, door het vakje bij het nummer van de kandidaat op de kieslijst te kleuren.

Bijvoorbeeld: wanneer je bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen wilde stemmen op Geert Wilders, kleurde je éérst het vakje bij de PVV aan en daarna het vakje bij het cijfer 1 – Wilders was immers de eerste kandidaat op de lijst. Wilde je je stem uitbrengen op Lisa Westerveld, selecteerde je eerst GroenLinks (lijst 5) en kleurde je daarna het vakje in bij nummer 10.

Op het eerste gezicht is het een overzichtelijk biljetje. Alleen, met het inkleuren van twee vakjes wordt het biljet foutengevoeliger. Veel erger is, dat dit ontwerp niet past bij de manier waarop onze parlementaire democratie werkt.

In ons kiesrecht brengen we stemmen uit op kandidaten. De term ‘politieke partijen’ komt in ons staatsrecht niet voor. Dat hoort zo. Partijen hebben wel een functie in het selecteren en ondersteunen van kandidaten – maar geen macht. Zo voorkom je dat politiek wordt bedreven door een paar notabelen en zorg je dat besluiten worden genomen waar ze in een democratie genomen horen te worden: na een openbaar debat, in het parlement.

Naamsbekendheid

Bij zo’n democratie hoort dat kandidaten hun éigen mandaat hebben. En dat voelen. Een uitgebrachte stem is een stem op een mens, niet op een nummer van de kandidatenlijst. Eerlijk is eerlijk, niet iedere volksvertegenwoordiger voelt dat persoonlijk mandaat. We kennen ze dan ook nauwelijks. Negentig procent van de kiezers kan geen enkel gemeenteraadslid bij naam noemen.

Voor de Kamer is de naamsbekendheid misschien iets hoger, maar ik vraag me af of de gemiddelde stemgerechtigde Nederlander verder komt dan de fractievoorzitters. Uit het stemgedrag blijkt al van niet. Hoewel het percentage stemmen op lager geplaatste kandidaten de laatste decennia alleen maar stijgt, stemde bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen 71,4 procent van alle kiezers op een lijsttrekker.

Voor een democratie waar volksvertegenwoordigers de plicht hebben om hun stem op persoonlijke overwegingen te baseren en zich daarvoor zelf te laten voeden en inspireren door wat ze horen in de samenleving is dat verdomd lastig werken. Het hebben van voorkeursstemmen helpt, vraag maar aan Pieter Omtzigt of Wybren van Haga.

Maar door het persoonlijk inkleuren van een nummertje maakt dit biljet het persoonlijk mandaat alleen maar… onpersoonlijker. Je kunt ook gewoon accepteren dat een groot biljet nu eenmaal hoort bij een levendige democratie. De lap papier is een tastbaar bewijs dat zich voor de Tweede Kamerverkiezingen maar liefst 1.579 kandidaten beschikbaar stelden.

Particratie

Waar ik me het meest zorgen om maak, is wat er gebeurt wanneer het nieuwe biljet een succes is. Nemen we dan maar voor lief dat we de meeste Kamerleden, en nog vaker raadsleden, Statenleden en waterschapsbestuurders volstrekt anoniem voor en namens ons besluiten laten nemen? En daarmee kiezers in de waan laten dat in ons land partijen het voor het zeggen hebben? En dat we – de facto – een particratie zijn geworden?

Dat kiezers soms geen flauw benul hebben welke volksvertegenwoordigers ze gekozen hebben, acht ik een groter probleem dan de onhandigheid van het stemformulier. Ik zou dat democratisch tekort niet met een stembiljet willen legaliseren. Laten we deze kiezers niet nog meer faciliteren in hun onwetendheid.

Een versie van dit artikel verscheen op 13 september 2021 eerst in NRC.

De laatste meer-dan-een-voetnoot in de geschiedenis is de benoeming van een drietal interim-bewindspersonen in het kabinet: Wiersma, Weyenberg en Yesilgöz. Op zich geen bijzonderheid. Al vorig jaar trad er een tijdelijk minister aan; een met een andere partijpas in z’n zak dan de coalitiepartijen. Dát was een novum.

Dit keer is het niet het partijlidmaatschap dat de benoeming bijzonder maakt, maar hun besluit met hun staatssecretariaat ook lid te blijven van de Kamer. Een dubbelfunctiemogelijkheid die in ons duaal politiek-bestuurlijk stelsel eigenlijk niet kan. In ons staatsrecht hoort het stellen van kaders en de controle erop van de uitvoering van beleid gescheiden te zijn.

Maar niet helemaal. In de Grondwet is het dan wel weer zo geregeld dat er een uitzondering is voor de periode na de verkiezingen. Gekozen kandidaten die al staatssecretaris of minister waren, kunnen aanblijven.

Geen gekke gedachte, doorgaans stelt het merendeel van de kabinetsleden zich kandidaat voor de verkiezingen. Het zou toch knap vervelend zijn wanneer je al die tot het parlement gekozen bewindspersonen allemaal uit het ministers- of staatssecretrissenambt moet ontslaan.

Nog vorige week verklaarde de minister-president dat hij deze uitzonderingsregel ook van toepassing zag op de benoeming van nieuwe staatssecretarissen. De Grondwet zegt dan wel dat bij een benoeming tot minister of staatssecretaris het Kamerlid automatisch vervalt, maar – zo redeneerde de premier – de Grondwettelijke uitzonderling slaat óók daarop.

De Raad van State volgde die lezing, zij het knarsetandend. Dat de huidige formulering in de Grondwet de benoemingen nu toch toelaat is misschien voor de letter wel mogelijk — er staat niet dat het niet kan. Maar in de geest ervan is het zeker niet. Het is, om het zo maar te zeggen, een constitutioneel bedrijfsongeval. Ongedaan gemaakt nu de nieuwe staatssecretarissen toch hun Kamerlidmaatschap hebben neergelegd.

Allemaal veroorzaakt omdat de Grondwet een denkfout maakt. Natuurlijk is het niet goed als het kabinet na de verkiezingen leegloopt omdat de bewindspersonen zijn verkozen. Maar waarom zouden mensen die eigenlijk beschikbaar zijn voor het kabinet überhaupt op een kieslijst voor de Kamer moeten staan? Hoezo zijn mensen die we net het vertrouwen hebben gegeven ‘ons’ in het parlement te vertegenwoordigen al direct genoemd voor een ander baantje? Bij hun kandidaatstelling horen ze het volksvertegenwoordigersschap te ambiëren, niet de kieslijst al lekkerbekkend te gebruiken als springplank voor het ministersschap.

Minister-president-schuine-streep-VVD-lijsttrekker Mark Rutte is misschien het beste voorbeeld dat er hier iets niet klopt. In april verdedigde hij zijn positie als toekomstig premier door te stellen dat er ‘nu eenmaal 1,7 miljoen mensen op hem hebben gestemd’ terwijl die stemmen toch echt voor het Kamerlidmaatschap zijn uitgebracht. Als hij de kiezerssteun echt serieus zou nemen en onze parlementaire democratie recht wil doen, bleef hij met die stemmen juist in de Kamer.

Ons duaal stelsel vraagt het dat Kamer en regering gescheiden opereren. Deze formatie en eigenlijk ook de laatste bestuursperiode laten goed te zien dat deze gescheiden werelden helemaal niet zo gescheiden werken. Niet alleen de benoeming van Wiersma, Weyenberg en Yesilgöz is niet naar ‘de geest van de wet’ maar het inmiddels 175 dagen aanblijven van het hele Kabinet doet geen recht aan het de grondgedachte van onze parlementaire democratie. Het is toch een beetje alsof je je oude baan aanhoudt terwijl je bij je nieuwe functie bij nota bene de concurrent (of netter gezegd: een ketenpartner) nog in de proeftijd zit.

Laat dit constitutionele bedrijfsongeval een aanleiding zijn om de wet op het hebben van dubbelmandaten strak te trekken. En gekozenen helemaal te verbieden zich te laten benoemen tot bewindspersoon. Gekozen worden tot de Kamer, de volksvertegenwoordiging en de facto het hoogste orgaan van het land, zou een hele eer moeten zijn. En geen wachtkamer voor het kabinet. Juist onze constitutie zou dat kiezers én helaas blijkbaar ook gekozenen duidelijk moeten maken.

Dit artikel verscheen op 8 september 2021 op Binnenlands Bestuur.