Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 bleef de helft van de kiezers thuis, de laagste opkomst ooit. De Volkskrant analyseert de oorzaken en gevolgen van deze daling.
John Bijl, directeur van het Periklesinstituut, noemt de lage opkomst ‘dramatisch’ en waarschuwt voor de gevolgen. ‘Kennelijk interesseert het een op de twee burgers geen hol wie hun gemeente bestuurt.’ Volgens onderzoeker Peter Kanne van I&O Research is vooral het wantrouwen in de politiek een belangrijke reden. Dit raakt vooral kiezers die normaal op partijen als PVV, FvD, JA21 en BBB stemmen; zij bleven vaker thuis dan progressieve kiezers.
De gevolgen zijn merkbaar. In steden als Rotterdam (39 procent opkomst), Roosendaal en Almere zijn burgers minder vertegenwoordigd, terwijl het aantal partijen in gemeenteraden blijft toenemen. Volgens Kanne leidt dit tot een ‘verwezing’ van de samenleving, waarbij steeds minder mensen zich herkennen in het bestuur.
Bijl wijst op een fundamenteel probleem: de afstand tussen gemeentebestuur en burgers is te groot. ‘Een goed politiek besluit moet gepaard gaan met uitleggen hoe dat tot stand komt, maar raadsleden komen daar nauwelijks aan toe. Hun werkdruk is gigantisch gestegen.’ Daarnaast zijn door herindelingen 20 procent minder raadsleden overgebleven, terwijl zij door decentralisaties drie keer zoveel taken hebben gekregen. ‘Een verdubbeling van het aantal raadsleden lijkt me een goed begin van herstel,’ stelt Bijl.
Sommige experts, zoals politicoloog André Krouwel, zijn minder somber. Hij ziet de lage opkomst als een tijdelijk verschijnsel en benadrukt dat landelijke verkiezingen nog steeds een hoge opkomst kennen. Toch blijft de vraag hoe de kloof tussen burgers en gemeentepolitiek gedicht kan worden.